Liefdewerk

Het uitgangspunt is dat we niets doen waarmee jouw uitkering in gevaar komt. zegt mijn HRM-adviseur. Dan vertelt hij dat ik best bij mag verdienen. Ik mag 30% van mijn verdiensten houden. Maar ik moet niet meer dan 20% van mijn oude loon bijverdienen. Want dan breng ik mogelijk mijn uitkering in gevaar. Het UWV heeft immers bepaald dat ik 80 tot 100% van mijn verdiencapaciteit ben verloren. Als ik dan meer dan 20% verdien, klopt dat oordeel feitelijk niet. En kan ik in theorie herkeurd worden.

Ik snap het niet goed. Ik heb nu toch ook al aan het UWV laten weten dat mijn verdiencapaciteit wel verlaagd is, maar toch echt niet met 80%. Laat staan met 100%. En toch hebben ze me afgekeurd. Door die keuring krijg ik nu “de beste uitkering die we in Nederland hebben”. En dat tot aan de AOW-gerechtigde leeftijd. Het voelt alsof de HRM-adviseur me een tweedehands auto verkoopt. Ik merk dat hij zijn best doet. Ik geloof dat hij het beste met me voor heeft. Hij heeft vermoedelijk ook gelijk.

Het betekent dat ik best nog kan blijven werken. Dat ik zelfs ook nog wel ongeveer hetzelfde werk kan blijven doen. Maar niet tegen hetzelfde salaris. Ik ging het gesprek in met het idee dat het tijd was voor loonsverhoging. We hadden immers samen vastgesteld hoe belangrijk het was dat ik behouden bleef voor de zaak. Daar mocht dan toch ook wat tegenover staan. Maar ik had het mis. Hoe meer uur ik wil blijven werken, hoe lager het uurloon moet zijn om niet teveel bij te verdienen.

Na het gesprek dwarrelen de gedachten in mijn hoofd als in een sneeuwbol. Is dat ook echt mijn uitgangspunt? Ik ben toch van de club die stelt dat je onafhankelijk moet zijn? Je eigen geld verdienen? Nooit je hand ophouden? En ik wil toch loon naar werk? En tegelijkertijd: Ik doe het werk toch niet uitsluitend voor het geld? Ik doe het toch met plezier? Ik wil toch graag een maatschappelijke bijdrage leveren? Is het bovendien niet zo dat ik precies doe wat van uitkeringsgerechtigden gevraagd wordt, naar vermogen participeren? Maar hoe zit het met waardering? Salaris is ook een manier om aan te geven dat je je werk goed doet. Hoe kom ik erachter of ik het goed doe als ik slechts een soort onkostenvergoeding ontvang?

Elke keer als ik een idee probeer te vangen, schud ik de bol en dwarrelt alles weer om me heen. Ik probeer scenario’s te schetsen. Stel: ik bepaal dat ik 16 uur kan werken. Dat is de helft van wat ik deed voordat ik ziek werd. Dan zit ik op half geld. Misschien iets meer als ik salarisverhoging krijg. Dan kan het zijn dat het UWV bepaalt dat de volledige afkeuring komt te vervallen en bestaat de mogelijkheid dat ik ook geen aanvullende uitkering krijg omdat ik daar teveel voor verdien. Dan zal ik van beduidend minder geld moeten rondkomen. Dat kan natuurlijk. Je kunt je uitgaven aanpassen en bijvoorbeeld verhuizen. Het is onwaarschijnlijk dat ik aan de bedelstaf terecht kom. Mijn lief is er immers ook nog.

Het probleem in dit scenario is het aantal uur dat ik meen te kunnen werken. 16 uur is niet veel, maar voor mij best vaak te veel. Als ik alles op alles zet, zal ik het ongetwijfeld een tijd vol kunnen houden. Aan doorzettingsvermogen ontbreekt het mij niet. Maar er komen perioden met longproblemen en prednisonkuren. Mijn longen herstellen steeds moeizamer en wat nu gewoon is gold een paar jaar geleden nog als slecht. Er komt vermoedelijk ooit (na een jaar, vijf jaar, tien jaar?) een moment dat ik moet vaststellen dat zestien uur teveel is. En als ik dan een afkeuringstraject inga wordt de uitkering berekend op basis van die zestien uur. De vraag is of ik van die uitkering ook nog kan leven. Vooral omdat ziek zijn kosten met zich meebrengt. Kosten die vaak niet vergoed worden. Voor vervoer, training en verzorging. En dan ga ik er gemakshalve maar vanuit dat de kakabouters zich rustig houden.

Het andere scenario is het door de zaak voorgestelde scenario: aanvaard de uitkering. Werk zoveel je wilt. Je krijgt daarvoor precies zoveel geld als je mag bijverdienen. Je hoeft nooit meer gekeurd. Als je benauwd bent of teveel pijn hebt, werk je niet. Als je wilt en kunt, haal je die uren weer in. Zo niet? Ook goed.

Ik zou het iedereen in mijn situatie aanraden.

Maar voor mezelf? Het voelt als een nederlaag. Ik ben zo gewend me te richten op meer, sterker, beter.

De tweede eerste keer

De blijdschap die ik voelde toen ik eind maart AstraZeneca in mijn arm gespoten kreeg begon langzaam te vervagen. De vaccinatienijd stak zijn scheve kop op. Om me heen hoorde ik mensen die naar mijn bescheiden mening stukken minder kwetsbaar zijn dan ik enthousiast vertellen over het veilige gevoel dat PfizerBioNtech hen bood. Ik werd steeds jaloerser. Vooral omdat ik na die eerste prik niets meer vernomen had. Ik had geen afspraak voor de tweede prik. Ik begon te vermoeden dat die kwetsbare personen nog wel eens eerder dan ik volledig beschermd zouden zijn omdat bij die vaccins de twee prikken relatief snel achter elkaar gegeven worden. Bovendien kregen ze ook nog eens het vaccin dat voor meer dan 90% bescherming biedt. Zit ik dan met mijn schamele 60-80 % (interessante marge overigens).

Ik stuur een e-consult naar mijn huisarts. Zij maant me tot geduld. Ze zal een assistente vragen een afspraak te maken voor de tweede prik. Dat wordt ergens half juni. Enig rekenwerk leert me dat we dan de maximumperiode die volgens de WHO tussen de injecties mag zitten net niet overschrijden. Ik voel me bekocht. Ik zit midden in de wet van de remmende voorsprong. Uiteraard schaam ik me over mijn eigen kleingeestigheid. Een vaccin is een vaccin is een vaccin.

Dan komt het moment dat ik een oproep van de GGD krijg. Ik word – als onderdeel van een risicogroep- uitgenodigd om een afspraak te maken om een prik van Moderna of PfizerBioNtech te ontvangen. Ik krijg die oproep wel van de GGD, maar op verzoek van mijn huisarts. Dat vind ik wel verwarrend. Ik snap wel dat ik als jaarlijkse griepprik ontvanger wordt uitgenodigd. Blijkbaar kan je daarbij niet aanvinken dat iemand al een (eerste) vaccin heeft gekregen. Ik voel me voor een gewetensvraag gesteld: is het moreel verdedigbaar om je dubbel te laten vaccineren als er in de hele wereld vaccinhonger heerst?

Mijn broer maakt korte metten met mijn gewetensnood. Ik heb immers een ‘prullenbakvaccin’ gekregen. Hij maakt zich meer zorgen of het medisch verantwoord is. Internet geeft me verschillende aanwijzingen over dat onderwerp. Ik lees dat in Frankrijk iedereen die een eerste AstraZeneca prik heeft gekregen als tweede PfizerBioNtech krijgt aangeboden. In Groot-Brittannië loopt een onderzoek naar het mixen & matchen van de verschillende merken vaccins maar de resultaten worden later verwacht. Wel is al bekend dat er meer bijwerkingen worden geregistreerd. Mijn neef appt me een nieuwsbericht over een Spaans onderzoek dat stelt dat PfizerBioNtech na AstraZeneca veilig kan worden gebruikt.

Allemaal leuk en aardig deze internetwijsheden, maar ik wil het ook wel met mijn eigen artsen overleggen. De huisarts zegt dat er nog geen advies is waarop zij zich kan baseren. De longarts leg ik de vraag ook voor. Wat te doen? Vertrouwen op 2x AZ? Na de eerste AZ 1x Pfizer/ Moderna? Na de eerste AZ 2x Pfizer/ Moderna? Of 2x AZ en 2x Pfizer? Hij aarzelt. Is eerst geneigd tot hetzelfde advies als de huisarts, maar als hij er wat langer over nadenkt, raadt hij me toch aan om gehoor te geven aan de oproep van de GGD en 2 keer PfizerBioNtech of Moderna in te plannen. Vooral omdat ik eind maart tijdens de eerste prik prednison slikte. Prednison onderdrukt het immuunsysteem dus mogelijk is de afweerreactie niet of verminderd op gang gekomen en heeft vaccin niet of slechts deels gewerkt.

En zo meld ik me een aantal dagen later in de Jaarbeurs. Het is een hele toestand met verschillende punten waar je verschillende papieren of e-mails moet laten zien. Ik ben blij dat ik een FFP-mondkapje draag, want afstand houden in de schier eindeloze rij is bepaald niet eenvoudig. Bij de derde controlepost gaat er iets mis. Het systeem kan mij niet vinden. Het meisje achter het scherm roept via haar walkie-talkie de hulp in van een coördinator. Het zweet breekt me uit. Waarschijnlijk sta ik geregistreerd als AstraZeneca-gebruiker. Ik heb niets te zoeken in deze hal. De GGD prikt niet met AZ . Dat weet iedereen. Waarschijnlijk word ik straks zonder pardon teruggestuurd. Onder hoon zal ik langs de rij wachtenden worden geleid. Deze ontaarde vrouw probeert vaccingewijs van twee walletjes te eten! Pek en veren!

Maar zo ver komt het niet. De coördinator muist en tikt gedecideerd wat op het toetsenbord en dan mag ik verder met een roze sticker op mijn rijbewijs. Op naar de arts die iets moet zeggen over het al dan niet samengaan van bloedverdunners met prikken en hoe lang een mens dan geacht wordt de prikplek vervolgens dicht te drukken. Daar maak ik me nou geen enkele zorgen over. Waar ik wel ongerust van word? Het is me inmiddels duidelijk geworden dat ik Moderna mag. Nou ben ik een dame die met haar tijd meegaat dus ik doe graag mee met nieuwerwetsigheden maar alle onderzoeken die ik heb gezien gaan over PfizerBioNtech na AstraZeneca. Niet over de combinatie Astra/Moderna. Ik durf de arts niet te vragen om te switchen naar de Pfizer-rij (als die er al is). Ik kan natuurlijk niet uitleggen dat het gaat om mijn tweede eerste prik. De kans is groot dat ook deze arts het niet aandurft om de verantwoordelijkheid over het combivaccin te nemen.

Ik klem dus mijn kaken op elkaar en laat de spuit in mijn arm zetten. Nu kan ik niet meer terug. Maar dat wil ik ook helemaal niet. Ik kan na dit experiment vaststellen dat 100% van de deelnemers last had van dagenlange bijwerkingen in de vorm van misselijkheid en overdreven vermoeidheid, dat 0% melding heeft gemaakt van een acute behoefte om Bill Gates te zoenen of te gaan demonstreren voor het gebruik van 5G en dat 100% zich een stuk veiliger voelt in de interactie met de medemens.

Twee bloemen in het plantsoen

Ik weet niet meer wanneer ik haar voor het eerst zag. Een lange dame met grijs haar in een staartje en een zongebruind gezicht. Ze wandelt met grote passen door de wijk. Ze draagt sportieve kleding en ziet er niet per se onverzorgd uit. Misschien is het haar gezichtsuitdrukking. Misschien is het de dialoog die ze soms met zichzelf lijkt te voeren. Misschien is het mijn zesde zintuig, maar ik wist het direct: onze buurt is een verwarde persoon rijker.

Omdat ook ik de buurt doorkruis om maar aan mijn dagelijkse stappen te komen zie ik haar vaak. Mijn eerste impuls is haar vermijden. Wegkijken. Ik vind haar niet zo eng dat ik oversteek, maar ik houd wel duidelijk de anderhalve meter afstand. Ze lijkt het niet te merken. Is in zichzelf gekeerd.

Het duurt niet lang of ik raak gewend aan haar verschijning. Ik begin me ongemakkelijk te voelen met mijn afwerende houding. Ik denk aan Mieke. Ik stel me voor hoe mijn moeder door haar buurt liep. In kleding die rechtstreeks uit de zak van Max leek te komen. Pratend tegen de hond of tegen mijn overleden opa. Soms scheldend tegen buurtgenoten.

Ik begin haar te groeten. Ik weet niet of ze dat registreert, maar ik ontwijk haar niet langer.

Vandaag ontmoette ik haar weer. Dit keer blijft ze staan. Ik haal de dopjes uit mijn oren en kijk haar aan. Er ontspint zich een gesprek waarbij ik de draad niet aldoor kan volgen maar dat was dan ook niet mijn opzet. Ik wil haar laten weten dat ik haar zie. Ze vertelt dat ze een huis krijgt in Lunetten. Dat dat fijn is omdat ze schoon genoeg heeft van het stadsdeel waar ze nu woont. Ik vraag haar waarom. Ze vertelt dat ze elke dag bidt om van de buitenlanders af te komen. Ik heb meteen een beetje spijt dat ik een praatje met haar heb aangeknoopt. Zo zie je maar weer. Niet alleen linkse mensen kunnen verward raken. En niet alle gelovigen zijn barmhartig.

Ze heeft een heel druk leven. De hele nacht niet geslapen omdat ze een feestje had met alle vrijwilligers. En daarna had ze haar boek afgeschreven. Het precieze onderwerp is me ontschoten. Ook iets met bidden. En gezondheid meen ik. Dan moest ze ook nog zingen. In de kerk natuurlijk, maar ook in de studio. Zeker drie, vier keer per week.

Dan vraagt ze of ik vanavond naar de TV ga kijken. Ik antwoord dat ik dat nog niet weet. ‘Weet je waar je naar moet kijken?’ vraagt ze glunderend. ‘de voorkant!’. Ik zegt dat ik daar over na zal denken. Ze lacht me uit. Het duurt even voor ik de grap snap. Dan vraagt ze wat voor geluid een achteruit lopende ezel maakt. Nu ben ik voorbereid dus ik roep ‘Ai!’. Achteraf een beetje flauw. Ik had me best nog een keer kunnen laten uitlachen. Voor haar wel zo leuk.

Dan wordt ze serieus. Ze wil weten of ik geloof. Ik antwoord ontkennend, maar dat had niet gehoeven. ‘Ik zie het aan je ogen!’ Ik vermoed dat wat ze ziet vooral wijst op methadongebruik, maar dat verzwijg ik. Ook zonder een vermeend drugsprobleem moet ik natuurlijk bekeerd worden. Of eigenlijk dat niet eens. Ik kom er wel achter. Want de terugkeer van Jezus is aanstaande. Ze wil weten hoe ik heet. ‘Ah, een bloem.’ zegt ze. ‘Dat is toevallig. Ik heet Margriet’ .Dan vraagt ze of ik voor haar wil bidden omdat ze door haar rug is gegaan en beent ze weg.

Ze laat me in enige verwarring achter maar net als ik mijn oortjes in mijn oren heb gedaan en mijn aandacht weer richt op de podcast, komt ze terug lopen. ‘Bedankt dat ik tegen je mocht praten’ zegt ze. En keert zich weer van me af.

Mijn hart breekt.

Kakabouters in Onze Taal

Eind maart tipte een vriendin me. Onze Taal had een oproep gedaan: ‘Hoe noem jij jouw ziekte?’ Toen ze dat las dacht ze meteen aan mijn kakabouters. Het grappige is: ik niet direct. Maar goed, ik zocht het bericht op op Instagram. Het was al een paar dagen oud, maar ik heb er op gereageerd en verteld over de kakabouters in mijn lichaam.

Ik hoorde niets. Dacht dat ik waarschijnlijk te laat was met mijn reactie. Maar een paar dagen geleden werd ik getipt. De kakabouters hebben onze taal bereikt. Stiekem ben ik best een beetje trots.

Voor een prikkie

Oh wat was ik blij! En dankbaar. Ik had mijn eerste vaccin binnen. Dankzij mijn lieve huisarts. Natuurlijk had ik liever Pfizer of Moderna gehad, maar beggars can’t be choosers en binnen is binnen.

Een paar dagen later kwam het nieuws dat Nederland het vaccineren met AstraZeneca staakte. Of tijdelijk stopte. Er was een zeldzame maar zeer ernstige bijwerking geconstateerd. Trombose. En dat samen met een tekort aan bloedplaatjes. Dat klinkt raar. Aan de ene kant klontert je bloed, aan de andere kant blijft je bloed juist stromen omdat de bloedplaatjes ontbreken die korstjes moeten vormen. Maar goed, ik had over deze bijwerking al eens eerder gehoord.

Lang geleden toen de injecties die ik elke maand krijg nog in de trial-fase waren, werd ik met twee andere proefpersonen naar het AMC geroepen. De begeleider van de trial had slecht nieuws. Alle apen op wie nog steeds proeven met ‘ons’ medicijn werden gedaan, waren doodgebloed. Natuurlijk was de dosering die de apen kregen hoger dan wat wij ingespoten kregen, maar toch. Deze reactie had de onderzoekers geschokt. En het had te maken met een acuut tekort aan bloedplaatjes. De vraag was of wij, na deze informatie, een ‘informed consent’ wilden tekenen. Ik herinner me dat ik nog wat grappen maakte over de setting. Je bevindt je met lotgenoten. De bijwerking is ernstig. Het middel werkt en maakt je behoorlijk gezonder. En of je even wilt tekenen dat je bewust doorgaat met de trial. ‘No pressure’ riep ik enthousiast. Mijn humor werd niet gewaardeerd. Ik geloof dat de longarts overwoog me acuut uit de trial te zetten.

Maar goed, je zou nu kunnen denken dat mijn lichaam al regelmatig met een stof in aanraking komt en daar niet met doodbloeden op reageert. Of je denkt: als je nu twee soorten chemicaliën inspuit die deze bijwerking hebben is het misschien vragen om moeilijkheden. Ik besloot voorlopig maar van het eerste uit te gaan.

Toen begon ik bloed op te hoesten. Niet veel. Niet elke dag. Maar wel met enige regelmaat en langzaam steeds een beetje vaker en meer. Dat is een symptoom dat ik al eerder bij de hand heb gehad. In 2019 had ik longembolieën en daar kwam ik achter doordat ik bloed ophoestte. Ik kreeg die longembolieën toen vermoedelijk als reactie op een kankermedicijn. Zou ik het nu opnieuw krijgen? Maar nu door het AstraZeneca-vaccin?

Ik aarzelde. Want de omstandigheden zijn anders. Sinds die episode in 2019 slik ik natuurlijk bloedverdunners. Daar is in principe niet tegen op te stollen. En ik hoestte wel bloed op, maar niet zo heel veel. Ik besloot het voorlopig maar in de gaten te houden.

Inmiddels was het weer tijd voor de kankercontrole. 3 CT’s en 1 MRI. Ik mocht ’s ochtends vroeg onder de scan. Eind van de middag stond de uitslag al te lezen in mijn medisch dossier. Er was iets aan de hand in mijn linkerlong, een groeiseltje. Nou is dat de long die al twee jaar altijd wat te mekkeren heeft, dus het verbaasde me niet enorm. Bovendien vond ik de conclusie geruststellend: een organiserende pneumonie. Tenminste, de pneumonie vond ik geruststellend, want een longontsteking, dat ken ik. En ik weet dat die nog wel eens tot wat bloed ophoesten leidt. Dat organiserende snapte ik minder. Als ik het probeer af te leiden dan lijkt het te betekenen dat de longontsteking bezig is met een eigen orgaan opzetten. Ik weet niet of dat de bedoeling is. Ik heb zelf al genoeg organen.

Overleg met de longarts haalde de laatste zorgen weg. De ontsteking in de long zat vlak naast een bloedvat, dus dat ik bloed ophoestte verbaasde hem niet. We hebben er maar een stevige kuur antibiotica tegenaan gegooid. En het bloedhoesten is gestopt.

Ik ben dus klaar voor de tweede prik. En van minister de Jonge mag ik hem krijgen ook!

Voltooid (werkzaam) leven

Er is al jaren een hoop te doen over het recht om te besluiten dat je je leven als voltooid beschouwt. Wetsvoorstellen worden ingediend en verdwijnen daarna stilletjes in een ijskast om daarna weer te worden ontdooid, een beetje te worden opgepoetst en dan weer ten tonele te worden gebracht. Tegenstanders van de wet maken zich zorgen over wie bepaalt dat het leven voltooid mag worden.

Ik zie een uitvoeringsorganisatie voor me. Eentje met een functionaris die met de aanvrager een aantal lijstjes naloopt en afvinkt. Op de lijstjes staat vragen als: Heeft u het drielandenpunt al bezocht? Doet u nog leuk mee met de bingo/ bridge? Hoeveel vingers steek ik op? Komen de kinderen nog wel eens op bezoek? Heeft u hulp gehad bij het beantwoorden van deze vragen?

De uitkomsten van die lijstjes worden daarna door een andere deskundige zorgvuldig gewogen. Die weging leidt dan tot een oordeel:

  • dit leven moet zo spoedig mogelijk worden voltooid;
  • dit leven is bij lange na niet voltooid (pech, rustig blijven ademen);
  • dit leven is bijna voltooid, een paar mijlpalen moeten nog worden behaald.

Dit klinkt misschien een beetje potsierlijk. Alsof de overheid een uitvoeringsorganisatie zou inrichten die voor de burger bepaalt of zijn leven wel of niet voltooid is. Maar ik voel een vergelijking met een nu werkzame uitvoeringsorganisatie, namelijk het UWV.

In januari had ik een gesprek met een verzekeringsarts van deze organisatie. Die heeft al mijn beperkingen zorgvuldig in kaart gebracht. De arts geeft zelf geen oordeel over mijn arbeidsgeschiktheid. Dat doet een arbeidsdeskundige. Of nee, die doet dat ook niet. Die geeft een oordeel over mijn vermogen om via arbeid in mijn levensonderhoud te voorzien.

Het is druk bij de UWV. Het lukt niet om hun eigen doelstellingen te behalen. Mij maakt dat niet echt uit. Ik heb het namelijk zelf ook hartstikke druk. Ik heb mezelf voor 18 uur per week arbeidsgeschikt gemeld en heb moeite me tot die uren te beperken. Er ligt genoeg werk voor 2 of 3 fulltimers dus ik weet dat ik zaken moet laten liggen. Maar dat doe ik niet graag. Ik vind mijn werk namelijk leuk en ik vind het moeilijk nee te verkopen.

Wie schetst dus mijn verbazing als ik hoor dat de arbeidsdeskundige tot de conclusie is gekomen dat ik volledig arbeidsongeschikt ben. Zij heeft de lijst met mijn beperkingen gehouden naast de kaartenbak met alle mogelijke functies en er is er geen een te verzinnen die ik zou kunnen vervullen. Mijn verzuimcoördinator, die mij het nieuws vertelde, was zelf ook wat onthutst. ‘En het ergste is nog,’ sprak hij ‘er is ook geen kans op herstel. Dat wist ik niet.’

Ik begreep dat ik eerst mijn verzuimcoördinator moest troosten. Dat ik niet meer beter zou worden was voor hem verdrietig nieuws. Ik had er alleen weinig tijd voor want ik moest direct daarna door naar een of ander belangrijke vergadering.

Ik heb de arbeidsdeskundige later nog wel gesproken. Zij drukte me op het hart het vooral te zien als een vangnet. Het oordeel betekent niet dat je niet MAG werken. Het betekent dat je een uitkering krijgt omdat je immers niet KAN werken. Gelukkig heb ik een directeur die net als ik WIL dat ik blijf werken.

Maar dit speelde zich allemaal eind maart af en sindsdien heb ik niets gehoord van het UWV. Het kan zijn dat ze het zelf ook een beetje mal vinden om iemand volledig arbeidsongeschikt te verklaren die nu 18 uur in de week aan het werk is. Dus dat ze manieren aan het verzinnen zijn om mijn arbeidsongeschiktheidspercentage aanpassen aan mijn feitelijke verzuim. Maar het kan ook dat ze vasthouden aan hun oordeel maar dat ze nog niet zijn toegekomen aan het opschrijven daarvan.

Ik wacht intussen geduldig af. Ik heb het ook te druk om me met het al dan niet voltooid zijn van mijn werkzame leven bezig te houden.

Jenga-toren

De afgelopen weken voel ik me als een Jenga-toren. Zo’n toren die aan het begin heel stevig staat. De spelers mogen dan steeds een blokje uit de toren halen en die bovenop leggen. Het doel is om te proberen de toren zo hoog mogelijk te maken. Tot hij valt. Want bij elk blokje wat je onderop weghaalt, maak je de basis van de toren iets minder stabiel.

Ik heb het gevoel dat er steeds blokjes uit mijn basis gehaald worden. Niet per se dat ik steeds hoger word, maar wel steeds wankeler. Een Noomenna-toren is natuurlijk niet uit houten blokken opgetrokken. Het zijn dan ook gebeurtenissen of beter gezegd ervaringen die mijn stabiliteit bedreigen. Kleine voorvalletjes. Ieder op zich niet zo belangrijk. Pas samen beginnen ze te tellen.

Minervaringen

Allereest is daar de benauwdheid. Half februari begon het met de terugkeer van de zeehondenblaf, gevolgd door het hijgend hert en tot slot het piepkuiken. Toen de hele astmadierentuin compleet was, gaf ik me gewonnen en startte ik prednison. Dat is in het leven van een Noomenna niet wereldschokkend. Alleen gelden oude vertrouwde rituelen niet langer. De vuistregel was: 4 tot 8 keer per jaar een stootkuur prednison die een week of twee-drie, als ik pech heb vier, aanhoudt. Maar de basisconditie is veranderd. De doorlopende ontsteking in de linkerlong zorgt ervoor dat het lang duurt voordat de pred aanslaat. En zo heb ik drie keer geprobeerd de prednison te minderen maar binnen de kortste keren stond de astmadierentuin weer voor de deur. Dat zijn drie minervaringen. Maar de grootste minervaring is deze: de angst dat dit het nieuwe normaal is. Dat een stootkuur voortaan zes tot acht weken duurt. Dan hoef je er maar zes te hebben en het hele jaar is een aaneenschakeling van stootkuren. Navraag bij mijn longarts leerde dat hij niet beschikt over een glazen bol. We weten dus niet of dit een keer behoorlijk pech is of dat mijn prednison-intake voortaan fors omhoog moet.

Dan brengt het prednisongebruik zelf ook wat minervaringen met zich mee. Zo zijn daar de zes kilo die ik erbij genomen heb sinds het begin van de stootkuur. Die bestaan voor een deel uit vocht, maar voor een groter deel uit lions, chocola en zelfgebakken koekjes en worteltjestaart. De predhonger raasde door mijn lijf en viel alleen te stillen met veel zoet. Dan is daar mijn huid. Gelukkig is het nog niet zo warm dat de mensen je vreemd aankijken als je met lange mouwen rondwandelt, want mijn armen zien eruit als een campagne voor tegen huiselijk geweld. Of erger nog: geweld tegen senioren. Het huidje is gerimpeld als een droge rivierbedding en heeft een kleurenpalet dat varieert van zacht geel, via zonnig oranje en wijnrood naar diep aubergine en nachtblauw. Afgewisseld met scherp afgetekende littekens in eischaalwit. Die littekens komen doordat de huid zo dun is dat hij bij de minste aanraking openscheurt. Zo deed ik van de week een kastje open. Staafmixer kukelde eruit. Op mijn pols. Snee van 3 cm.

Dat zijn de zichtbare gevolgen van het prednisongebruik. Dit keer had ik ook veel last van bijwerkingen op mijn gemoed. Ik voelde me opgejaagd. Dan kan ik natuurlijk heel rationeel kijken en me verbazen over wat er gebeurt: mijn hartslag raakt verhoogd. mijn brein denkt dan: ‘Wacht, ik detecteer hoge hartslag. Er wordt geen inspanning verricht. Wanneer gaat het hart nog meer extra hard bonzen? Ingeval van zenuwachtigheid of angst. ik zal even gauw die gebieden aanzetten want dan zijn lichaam en geest tenminste weer in 1 lijn.’ Dat denk ik dan hè. Dat mijn brein zo denkt en handelt. Maar ik voel me dus doorlopend zenuwachtig en bang.

Niet alleen werd ik met de prednison niet echt beter. Na een week of vier kreeg ik er ook keelpijn bij. Dat hoort niet. Keelpijn kan een voorbode zijn van benauwdheid, maar dan verdwijnt de keelpijn en zakt het probleem de bronchiën in. Niet andersom. Zou het dan toch Covid zijn? Is dat dan misschien de reden dat die benauwdheid maar niet weggaat? Gelukkig gaat testen snel en ook de uitslag is er eerder dan de 48 uur die ervoor staat, maar je hebt toch al gauw een dag (en nacht) of twee, drie onzekerheid. Die uitslag was overigens negatief. Dat is dan weer een pluservaring maar gek genoeg vult de opluchting het gat van de spanning niet op.

Rond die tijd voelde ik op het vingerkootje van mijn rechterwijsvinger een bobbeltje. Voelde niet als een uitzaaiing. Minder glad. Een beetje knokerig. Maar ik heb mijn lesje geleerd en nam dus contact op met het ziekenhuis. Niet de mooie oncoloog maar de kordate specialistisch verpleegkundige (heb ik die nou echt niet eerder geïntroduceerd? Het is zo’n fijn mens!) reageerde. Als het knobbeltje er langer dan twee weken zit: naar de huisarts. Nou het zat er langer dan twee weken. Dus ik ging naar de huisarts. Die dacht ook niet dat het een uitzaaiing was. Meer een soort vergroeiing in het gewricht. Zou wel het begin kunnen zijn van artrose. Tuurlijk. Artrose. Kan er ook nog wel bij. Dat skelet van mij heeft het niet makkelijk. Het zit vol restanten van uitzaaiingen, de gaten vallen erin door de hoeveelheden prednison die ik naar binnen werk en nu ook vergroeiingen.

Toen ik naar huis wandelde van de huisarts viel het mij op dat mijn wangen nat waren. Ik liep ongemerkt te huilen. Niet van het nieuws dat ik mogelijk artrose krijg. Maar van de opluchting dat zich toch niet een klein groepje kakabouters in mijn vinger verenigd hadden. De spanning was hoger geweest dan ik zelf had geweten.

Die dag bleef ik wat labielig. Een beetje huilen. Heleboel mezelf toespreken dat ik met niet zo moest aanstellen. Onlief doen tegen mijn lief. Ik besloot dat ik moe was. Het enige dat zinnig is in zo’n geval: op tijd naar bed. En op tijd is in dit geval vroeg. Tandenpoetsen en je bed in. Bij het flossen merk ik dat er iets tussen mijn achterste kiezen zit. O wat irritant. Ik stoker en poets erop los. Maar ik voel dat er nog steeds wat zit. Nog een keertje flossen dan. En krak! Met de flosdraad komt mijn halve kies mee. Op zich al niet heel leuk. Een vrijdagavond is qua timing en bereikbaarheid van tandartsen niet heel goed gekozen. Als het dan ook nog gebeurt op de dag dat ik met enige bezorgdheid naar de stand van mijn skelet kijk, is het moeilijk niet tot de conclusie te komen dat het nu zo slecht gesteld is met de stevigheid van mijn botten en tanden dat ik met mijn verminderde krachten met een stukje flosdraad mijn tanden kapot trek. En ja, ik weet heus wel dat dit licht pathetisch en overdramatisch klinkt. Maar zie die Jenga-toren voor je. Die steeds een blokje minder stevig staat.

Pluservaringen

Natuurlijk is het niet zo dat er alleen maar tegen de Noomenna-toren aangeschopt wordt. Er zijn ook gebeurtenissen en ontmoetingen die ervoor zorgen dat de gaten die blokken achterlaten gewoon weer worden opgevuld. Een aantal heb ik al genoemd: de negatieve coronatest en het feit dat de bobbel geen uitzaaiing was. Ook de afgebroken kies viel mee. Het was niet een kies die in tweeën gebarsten was maar een oversized vulling die een aantal jaar geleden als tijdelijk was geboetseerd en die nu besloten had dat het einde van die tijdelijkheid was aangebroken. Dat staat volstrekt los van de conditie van mijn tanden en beenderen. Ik ben dan wel zes kilo aangekomen, maar daarvoor was ik 12 kilo afgevallen. Per saldo weeg ik dus nog steeds minder dan ik deed. Het gedoe rond de vaccinatie was eerst een minervaring (ik kom maar niet aan de beurt) toen een minstens zeven jengablokken brede pluservaring (ik krijg hem nu!) en nu weer een minervaring (de onzekerheid over de tweede prik nu het risico van het gebruik van Astra-Zeneca voor vrouwen onder de zestig als hogig wordt ingeschat). In de pluservaringen zitten toch altijd weer mensen die lief voor mij zijn, aan me denken en dat laten merken. Zo heb ik vertrouwen in de zorg van mijn huisarts en weet ik dat zij haar best gaat doen voor een tweede dosis. Ik ben bij de pijnpoli geweest en die behandeling heeft me niet alleen verlicht van de pijn maar ik merk dat ik ook met deze arts een steeds betere band ontwikkel. En dat is fijn. Op mijn verjaardag werd ik overladen met bloemen, kaarten en cadeaus. Ook de natuur die volop bloeit maakt me blij. Alleen al de grote hoeveelheid magnolia bij mij in de buurt van wit tot paars-roze zorgt ervoor dat ik glimlachend rondwandel. Tot slot heb ik vandaag besloten dat het uit is met de pred. Ik heb de hoeveelheid prednison de afgelopen weken heel voorzichtig en gestaag afgebouwd en gisteren de voorlopig laatste dosis geslikt.

Deze tweede paasdag met zijn hagel, sneeuw en onweer is voor mij het begin van een zonnige periode. Dat voel ik!

Het mooie van het woord minervaringen is dat het staat voor min-ervaringen (ervaringen waardoor er blokjes uit de toren worden gehaald) maar dat ik er ook Minerva-ringen inzie. De blokjes die uit de toren gaan zijn dus ook ringen van de godin van de wijsheid. Van elke ervaring leert een mens en met een beetje geluk vormt die lering een verdedigingsring waardoor een volgend blokje minder gemakkelijk uit de toren kan worden getrokken. Al klinkt dit wel weer behoorlijk als ‘what doesn’t kill you makes you stronger en dat is een zinnetje waar ik normaal gesproken woedend van word.

Vaccinatienijd

Begin januari van dit jaar ontving ik een appje van mijn lieve vriendin I. Ze stuurde me een foto van de vaccinatiestrategie waarbij duidelijk was dat ik rond mijn verjaardag aan de beurt zou zijn. Dat vonden wij allebei een passend verjaarscadeau. En behoorlijk te overzien want ik ben eind februari jarig. We gingen er dan wel vanuit dat ik zou behoren tot de groep mensen van 18-60 met medische indicatie hoog risico. Als ik met mijn kanker, mijn door immuuntherapie gewijzigd immuunsysteem, mijn astma, mijn doorlopende luchtweginfectie door de hoogstand van mijn middenrif en mijn immer hoge bloeddruk niet tot die groep behoor, wie dan wel?

Maar ik had buiten de lobbygroepen gerekend. Eerst kwam het ziekenhuispersoneel. Dat kreeg voorrang. Daar had ik wel begrip voor. Toen de huisartsen. Snapte ik ook. Toen kwamen de berichten dat in sommige ziekenhuizen ook het administratieve personeel werd ingeënt. Zogenaamd om geen vaccinvloeistof te verspillen. Ik zou zeggen dat ze in de ziekenhuizen ook een aantal bezoekers van de long- hart- of oncologische poli hadden kunnen plukken als ze vaccins over hadden. Dan handel je tenminste in de geest van de vaccinatiestrategie. De blije filmpjes van studenten die ingezet werden bij de logistiek rond de vaccinatiestraten van de GGD-en en die ook met de overgebleven vaccins waren ingeënt deden mij ronduit pijn. Was het nu echt niet mogelijk geweest om een oproeplijst samen te stellen met mensen uit kwetsbare groepen die in de buurt van de vaccinstraten wonen en die met liefde aan het eind van de dag komen aanrennen om hun mouw op te stropen?

Want steeds als er een groep of een persoon voorrang kreeg, schoof mijn prikmoment een stukje op. Zo ging ik van februari naar maart. Naar april.

Intussen werd de generatie van mijn ouders ingeënt. Mijn vader, mijn ooms en tantes, mijn schoonouders, allemaal mochten ze naar een priklocatie van de GGD. Bij hen merkte ik een soort vaccinatieschaamte. Zonder uitzondering vinden ze dat ik minstens zoveel risico loop als zij en ze zouden met liefde een plekje afstaan als dat zou betekenen dat ik eerder aan de beurt zou komen. Zo werkt het natuurlijk niet. Mensen boven de 80 moeten gewoon zo snel mogelijk een prik krijgen. En bij voorkeur zonder dat het vaccin wordt vergezeld van een fikse dosis schuldgevoel.

Maar toen werd het half maart en besloot de Gezondheidsraad dat gezonde mensen tussen de 60-65 meer risico liepen dan ik. En dat ik niet tot de hoog-risico groepen behoor. Ik kwam erachter doordat een vriendin mij wees op een overheidssite waarop je na het beantwoorden van een paar vragen een indicatie krijgt wanneer je wordt opgeroepen voor het vaccin. Voor mij is dat half mei. Voor mijn vriendin zonder medische indicatie half juni. Ik ben dus drie maanden opgeschoven. En dan nog. De indicatie gaat uit van een gestage levering van vaccins en tot nog toe is de levering steeds achtergebleven bij de verwachtingen.

Toen bedacht ik dat ik iedereen zijn vaccin gun en zeker iedereen die net als ik in angst voor besmetting leeft. Maar dat ik het zo langzamerhand mezelf ook wel heel erg gun.

Wat doet een Noomenna in zo’n geval? Ze bedenkt waar ze invloed heeft. Niet op de vaccinatiestrategie van de Gezondheidsraad. Niet op de levering van de vaccins. Niet op een niet-bestaande oproeplijst bij de GGD. Het enige wat ik kon bedenken is de huisarts. Die is degene die die 60-65 jarigen gaat inenten. En als daar nou iemand niet komt opdagen? Terwijl het vaccin al uit de koeling is? Dat ze dan mij belt. Ik woon in de buurt. Ben altijd thuis. Je hoeft maar te bellen. Kleine moeite. Win-win-situatie.

Eigenlijk schaamde ik me een beetje toen ik mijn huisarts mailde met dit voorstel. Doe ik nu niet precies wat ik die anderen verwijt? Namelijk voordringen onder het mom van verspilling tegengaan?

Mijn huisarts vond het echter direct een goed idee. Ze gaf het zelfs door aan haar collega’s. Eigenlijk moesten ze allemaal een aantal patiënten bedenken die ze zouden gaan bellen op het moment dat er een spuit overbleef. Er zijn nu eenmaal mensen die niet passen in de richtlijnen maar die wel overduidelijk risico lopen. En wat haar betreft stond ik bovenaan het lijstje. Bovendien leert de ervaring dat mensen op het laatste moment afhaken. En het schaarse middel verspillen, is het laatste wat je wil.

Vanaf dat moment hield ik goed in de gaten wanneer de huisartsen in mijn regio zouden mogen beginnen met vaccineren. Eerst mocht Zeeland. Toen Brabant. En op het moment dat mijn regio aan de beurt was, werd het vaccineren met AstraZeneca twee weken opgeschort. Dat kon er ook nog wel bij. In mijn hoofd ging mijn vaccinmoment van half mei naar eind mei/ begin juni. Ik haalde opgelucht adem toen het vaccineren hervat werd.

Afgelopen donderdag zat ik bij de tandarts. Mijn kies was afgebroken dus er moest een noodvulling in. Ik had mijn beide telefoons op stil gezet. Toen ik bijna thuis was, zag ik dat ik een hoop telefoontjes gemist had. Van mijn huisarts. En daarna van mijn man. Op beide telefoons. Ik belde mijn lief. Ze hebben er één over! Ze kunnen je niet bereiken! We moeten nu naar de huisarts!

Met het allereerste buisje vaccinvloeistof dat ze open hadden gemaakt konden ze hun negen doktersassistentes inenten. Maar ze haalden er nog een tiende dosis uit. En zelfs een elfde. De tiende mocht ik. Gelukkig waren ze nog niet iemand anders gaan bellen. Ze hadden er vertrouwen in dat mijn man mij binnen afzienbare tijd op de praktijk zou afleveren. Voor de elfde dosis belden ze wel een volgende. Maar de tiende mocht ik.

Ik heb hem binnen.

En ik blijf meevoelen met alle anderen die nog in bange afwachting zijn van zo’n stomme prik. De nieuwe woorden in mijn vocabulaire zijn vaccinatienijd en vaccinatieschaamte.

Zelfhulp Boeken FM

De hulpvraag wordt meestal zo schuchter gesteld dat ik hem niet eens oppik. Of ik wel hulp heb/ of ik geen hulp zou moeten zoeken/ of ik wel eens over hulp heb nagedacht. Vaak ben ik al uitgebreid aan het vertellen over de lieve A die mijn huis schoner houdt dan ik ooit zou kunnen voor ik in de gaten krijg dat zij niet wordt bedoeld. De vrager kijkt me geschrokken aan, bang er nog meer woorden aan te moeten geven. Oh, je bedoelt HULP. Van de mentale, psychologische, psychiatrische variant. Meestal vertel ik dan over het gesprek dat mijn lief en ik tijdens het kankerjaar hadden met de maatschappelijk werker van het UMC. Die keek ons monter aan en zei: ‘Tja, jullie doen het eigenlijk heel goed. De situatie is gewoon rot en veel verbetering is er niet te verwachten. Let op elkaar en ga zo door.’

Maar nu is het mijn kankercoach die het onderwerp aansnijdt. ‘De dood is wel een beetje een thema in jouw leven’ zegt ze fijntjes. Op zo’n constatering zijn natuurlijk een heleboel replieken mogelijk: De dood is de enige zekerheid in het leven. Of: Het leven bestaat bij de gratie van de dood. of: Het refrein is Hein. of: Ga iemand anders pesten.

Ik koos voor geen van deze antwoorden. Ik kan niet ontkennen dat ik bij vlagen verval in diepe doodsangst. Al was het maar omdat ik er in dit blog over heb geschreven. Ik zie de doodsangst vooral gekoppeld aan de angst voor besmetting met Covid-19 en aan de kankerscans die me steeds weer drie maanden erbij te leven geven. Ik weet niet of je dat een thema zou willen noemen. En als het al een thema is, wat moet je dan met die wetenschap? Hulp zoeken?

In geval van kanker en hulpvraag kom je al gauw uit bij het Helen Dowling Instituut. Dus die belde ik op. Ik had een leuk gesprek met een vriendelijke dame en een nare boodschap. De wachtlijst was lang. Ik belde eind december dus er was sprake van een kerstvakantie en dan van een wachttijd van een week of acht, dan van een intake en dan een week of zes later start van de eventuele hulp. We kwamen uit op een datum ergens in april. Tegen die tijd zou ik allang gevaccineerd zijn waarmee mijn meest acute doodsangst als verdwenen mocht worden beschouwd. De vriendelijke dame wilde me alle liefde op de wachtlijst zetten maar raadde me aan mijn huisarts te vragen om een alternatief.

Zo zat ik begin van dit jaar tegenover mijn huisarts. Zij kent me al langer dan vandaag en vroeg zich af of mijn klachten niet veel meer te maken hadden met de coronamaatregelen dan met corona: “Je bent veel te leuk om je dagen in eenzaamheid te slijten!” Probeer daar maar iets tegenin te brengen. Dan moet je beginnen met ontkennen dat je leuk bent.

Maar mijn huisarts is de rotste niet en ze beloofde de vraag “Wie weet een therapeut die goed is met dood?’ in de grote huisartsen-groepsapp te stellen. Zelf kon ze zo gauw niemand verzinnen. Ze had wel een andere tip. De podcast Boeken FM. Die zou ik zeker leuk vinden. Echt iets voor mij. Met boeken en cynische humor.

Braaf zocht ik de dag daarop de podcast op. En mijn huisarts heeft meer dan gelijk. Het is slim en hilarisch. Erudiet en urgent (tenminste in seizoen 2). Ik moet vaak hardop lachen tijdens het luisteren. Alsof ik bij vrienden op de bank zit en in een luisterbui ben. Of ik de boeken die ze bespreken nou wel of niet gelezen heb, of ik het boek nou goed of slecht vond, het is om het even. En het kan natuurlijk aan de thematiek liggen, maar mijn doodsangst is bij het luisteren ver weg.

WIA-ja of WIA-nee

En dan is het meer dan twee jaar geleden dat ik de uitzaaiing in mijn hals ontdekte. Die is in december 2018 weggesneden, maar ik had me al voor de operatie ziek gemeld. Niet omdat ik me moest voorbereiden op de operatie of zo maar ik was benauwd en aan de prednison. Ik herinner me dat het nog een hele toestand was want ik moest voor de operatie en niet meer benauwd en niet aan de prednison zijn. Verder waren er weinig vereisten.

Die grens van twee jaar ziekteverzuim is relevant omdat de werkgever vanaf dat moment de zieke werknemer mag ontslaan. Het idee is dat als je al twee jaar ziek bent de kans niet heel groot is dat je herstelt. Nou is het niet zo dat ik al die tijd niet gewerkt heb. Eigenlijk ben ik zoveel mogelijk blijven werken totdat ik in april 2019 nog een keer geopereerd werd, overal uitzaaiingen had en begon met de immuuntherapie. Toen ben ik een paar maanden uit de running geweest en daarna ben ik heerlijk gaan revalideren en re-integreren.

Voordat de kanker terugkwam werkte ik 32 uur. Nu haal ik ongeveer de helft daarvan. Ik ben druk bezig met mijn conditie te verbeteren in de hoop dat ik sterker word en dan weer meer kan werken. Maar wat ik ook hoop en hoe ik ook mijn best doe, het moment nadert waarop ook mijn lieve werkgever het zich niet langer kan permitteren om mij voor 32 uur in dienst te houden.

Om dan niet direct financieel aan de grond te komen zitten is er de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Dat is een werknemersverzekering waar je aanspraak op kunt maken als je (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt wordt. Ik had mijn aanvraag al in augustus ingediend bij het UWV. Ze zouden voor eind oktober beslissen. Maar oktober kwam en ging. Ik hoorde niets van het UWV. Ik heb nog eens gebeld hoe het ermee stond, maar mijn aanvraag was ‘in behandeling’ en ze lieten weten dat ik geduld moest betrachten.

Intussen werd ik door de bedrijfsarts, de arbeidsdeskundige en mijn verzuimcoördinator geprept. Mijn dossier leek weinig complex. De brieven van de mooie oncoloog en de lieve longarts lieten weinig ruimte voor interpretatie. Maar toch. Er zijn artsen bij het UWV die een bepaalde opvatting van hun vak hebben. Je moet het treffen. Ze drukten mij op het hart nooit alleen naar de keuring te gaan. Als het gesprek onaangenaam wordt, benoemen en afkappen. Direct bezwaar maken. Ze kunnen de gekste dingen vragen. Misschien is het verstandig een opname te maken. Daartoe heb je het recht. En bovenal: zorg dat je het niet te klein maakt. Dat je niet in je overdreven optimisme doet alsof het allemaal wel meevalt.

Zulke dingen. En ik wandel maar voort met het zwaard van Damocles boven mijn hoofd.

Als het eind december is wordt mijn werkgever ongeduldig. Het blijft geen feest met die UWV. Ik vermoed dat er op hoog niveau contact is geweest. Ik werd namelijk tijdens de kerstborrel gebeld dat ik op 4 januari een gesprek met de verzekeringsarts tegemoet kon zien. Lekker dan. Had ik in elk geval iets om naar uit te kijken tijdens de kerstvakantie.

Om de een of andere reden vindt het UWV het van groot belang te weten hoe mijn dagindeling eruit ziet. Ik nam me voor dat eens goed uit te schrijven. Voor je het weet vergeet je hoe laat je altijd gaat douchen en worden daar verstrekkende gevolgen aan verbonden. Of misschien hebben ze wel stiekem toegang tot mijn stappenteller en zien ze dat ik tijdens werktijd gewoon een ommetje maak. Of weten ze door mijn snurkslurf te hacken precies hoe lang ik slaap en waarover ik droom. Ik bleef duidelijk heel ontspannen onder het zwaard.

Tammo en ik vertrokken voor de kerstvakantie naar Terschelling. We zouden 1 januari weer thuis komen. Dan had ik het hele weekend nog om me druk te maken over de keuring. Het UWV-zwaard liet ik achter in Utrecht.

Wie schetst mijn verbazing als ik al wandelend over het strand een oproep mis. Onbekend nummer. Het bleek de UWV. Niet de keuringsarts, maar een assistente of zo. Die middag belde ze nog een keer. Ik hield intussen mijn hart met beide handen vast. Ze belde vast niet voor de gezelligheid in de dagen tussen kerst en oud-en-nieuw. Waarschijnlijk iets met uitstel.

Van uitstel was echter geen sprake. Sterker nog al gauw bleek dat we een stukje keuring nu direct gingen doen. Namelijk een check op de volledigheid van de bij het UWV bekende medicijnen, zorgverleners en het befaamde gesprek over de dagindeling. Ik voelde me enigszins overrompeld, maar het was geen onprettig gesprek. Sterker nog. Het was een leuk mens. En wat er nou precies ingewikkeld was aan het vertellen hoe je dag er zo’n beetje uitziet, is mij niet duidelijk geworden. Toen ik in mijn beschrijving rond een uur of vier was aanbeland en ik nog geen tijd voor lunch had uitgetrokken kon ik rustig vaststellen dat de beschrijving behoorlijk overeen kwam met de werkelijkheid waarin het ene overleg naadloos aansluit op het volgende dat weer overlapt met het daaropvolgende. Daar moest de UWV-dame wel om lachen. We waren al gauw een half uur aan het kletsen en ik vroeg me af of er nog wat te vragen over was gebleven voor de verzekeringsarts.

Nou er bleken nog best wat onderwerpen over te zijn om te bespreken. Hele lijsten moesten worden afgewerkt. Hoe lang kan je zitten/ staan/ lopen? Hoe goed kan je bukken of zware dingen tillen? Hoe gaat het met je concentratie? Ik werd er moedeloos van. Want als je op zoek gaat naar dingen die ik niet of niet goed kan, zijn dat er wel veel. Soms antwoordde ik wat optimistisch. Dat merkte ik omdat ik Tammo’s wenkbrauwen de lucht in zag schieten. ‘Wacht,’ riep ik dan ‘Mijn man fronst. Hij denkt er anders over’. Dat gebeurde zeker een keer of drie en elke keer ging de arts mee met Tammo’s inschatting in plaats van de mijne. Mannen spannen ook altijd samen.

Het wachten is nu op het oordeel van de arbeidsdeskundige. Maar daar hoefde ik me volgens de keuringsarts geen zorgen over te maken. Ik kom vrijwel zeker in aanmerking voor een uitkering. En het zwaard? Dat hangt nog altijd boven mijn hoofd. Maar ik begin zo langzamerhand te vermoeden dat het een speelgoedzwaard betreft. Een zwaard dat mij niet deren kan. Of me hooguit wat blauwe plekken kan opleveren.

Vorige Oudere items