Jenga-toren

De afgelopen weken voel ik me als een Jenga-toren. Zo’n toren die aan het begin heel stevig staat. De spelers mogen dan steeds een blokje uit de toren halen en die bovenop leggen. Het doel is om te proberen de toren zo hoog mogelijk te maken. Tot hij valt. Want bij elk blokje wat je onderop weghaalt, maak je de basis van de toren iets minder stabiel.

Ik heb het gevoel dat er steeds blokjes uit mijn basis gehaald worden. Niet per se dat ik steeds hoger word, maar wel steeds wankeler. Een Noomenna-toren is natuurlijk niet uit houten blokken opgetrokken. Het zijn dan ook gebeurtenissen of beter gezegd ervaringen die mijn stabiliteit bedreigen. Kleine voorvalletjes. Ieder op zich niet zo belangrijk. Pas samen beginnen ze te tellen.

Minervaringen

Allereest is daar de benauwdheid. Half februari begon het met de terugkeer van de zeehondenblaf, gevolgd door het hijgend hert en tot slot het piepkuiken. Toen de hele astmadierentuin compleet was, gaf ik me gewonnen en startte ik prednison. Dat is in het leven van een Noomenna niet wereldschokkend. Alleen gelden oude vertrouwde rituelen niet langer. De vuistregel was: 4 tot 8 keer per jaar een stootkuur prednison die een week of twee-drie, als ik pech heb vier, aanhoudt. Maar de basisconditie is veranderd. De doorlopende ontsteking in de linkerlong zorgt ervoor dat het lang duurt voordat de pred aanslaat. En zo heb ik drie keer geprobeerd de prednison te minderen maar binnen de kortste keren stond de astmadierentuin weer voor de deur. Dat zijn drie minervaringen. Maar de grootste minervaring is deze: de angst dat dit het nieuwe normaal is. Dat een stootkuur voortaan zes tot acht weken duurt. Dan hoef je er maar zes te hebben en het hele jaar is een aaneenschakeling van stootkuren. Navraag bij mijn longarts leerde dat hij niet beschikt over een glazen bol. We weten dus niet of dit een keer behoorlijk pech is of dat mijn prednison-intake voortaan fors omhoog moet.

Dan brengt het prednisongebruik zelf ook wat minervaringen met zich mee. Zo zijn daar de zes kilo die ik erbij genomen heb sinds het begin van de stootkuur. Die bestaan voor een deel uit vocht, maar voor een groter deel uit lions, chocola en zelfgebakken koekjes en worteltjestaart. De predhonger raasde door mijn lijf en viel alleen te stillen met veel zoet. Dan is daar mijn huid. Gelukkig is het nog niet zo warm dat de mensen je vreemd aankijken als je met lange mouwen rondwandelt, want mijn armen zien eruit als een campagne voor tegen huiselijk geweld. Of erger nog: geweld tegen senioren. Het huidje is gerimpeld als een droge rivierbedding en heeft een kleurenpalet dat varieert van zacht geel, via zonnig oranje en wijnrood naar diep aubergine en nachtblauw. Afgewisseld met scherp afgetekende littekens in eischaalwit. Die littekens komen doordat de huid zo dun is dat hij bij de minste aanraking openscheurt. Zo deed ik van de week een kastje open. Staafmixer kukelde eruit. Op mijn pols. Snee van 3 cm.

Dat zijn de zichtbare gevolgen van het prednisongebruik. Dit keer had ik ook veel last van bijwerkingen op mijn gemoed. Ik voelde me opgejaagd. Dan kan ik natuurlijk heel rationeel kijken en me verbazen over wat er gebeurt: mijn hartslag raakt verhoogd. mijn brein denkt dan: ‘Wacht, ik detecteer hoge hartslag. Er wordt geen inspanning verricht. Wanneer gaat het hart nog meer extra hard bonzen? Ingeval van zenuwachtigheid of angst. ik zal even gauw die gebieden aanzetten want dan zijn lichaam en geest tenminste weer in 1 lijn.’ Dat denk ik dan hè. Dat mijn brein zo denkt en handelt. Maar ik voel me dus doorlopend zenuwachtig en bang.

Niet alleen werd ik met de prednison niet echt beter. Na een week of vier kreeg ik er ook keelpijn bij. Dat hoort niet. Keelpijn kan een voorbode zijn van benauwdheid, maar dan verdwijnt de keelpijn en zakt het probleem de bronchiën in. Niet andersom. Zou het dan toch Covid zijn? Is dat dan misschien de reden dat die benauwdheid maar niet weggaat? Gelukkig gaat testen snel en ook de uitslag is er eerder dan de 48 uur die ervoor staat, maar je hebt toch al gauw een dag (en nacht) of twee, drie onzekerheid. Die uitslag was overigens negatief. Dat is dan weer een pluservaring maar gek genoeg vult de opluchting het gat van de spanning niet op.

Rond die tijd voelde ik op het vingerkootje van mijn rechterwijsvinger een bobbeltje. Voelde niet als een uitzaaiing. Minder glad. Een beetje knokerig. Maar ik heb mijn lesje geleerd en nam dus contact op met het ziekenhuis. Niet de mooie oncoloog maar de kordate specialistisch verpleegkundige (heb ik die nou echt niet eerder geïntroduceerd? Het is zo’n fijn mens!) reageerde. Als het knobbeltje er langer dan twee weken zit: naar de huisarts. Nou het zat er langer dan twee weken. Dus ik ging naar de huisarts. Die dacht ook niet dat het een uitzaaiing was. Meer een soort vergroeiing in het gewricht. Zou wel het begin kunnen zijn van artrose. Tuurlijk. Artrose. Kan er ook nog wel bij. Dat skelet van mij heeft het niet makkelijk. Het zit vol restanten van uitzaaiingen, de gaten vallen erin door de hoeveelheden prednison die ik naar binnen werk en nu ook vergroeiingen.

Toen ik naar huis wandelde van de huisarts viel het mij op dat mijn wangen nat waren. Ik liep ongemerkt te huilen. Niet van het nieuws dat ik mogelijk artrose krijg. Maar van de opluchting dat zich toch niet een klein groepje kakabouters in mijn vinger verenigd hadden. De spanning was hoger geweest dan ik zelf had geweten.

Die dag bleef ik wat labielig. Een beetje huilen. Heleboel mezelf toespreken dat ik met niet zo moest aanstellen. Onlief doen tegen mijn lief. Ik besloot dat ik moe was. Het enige dat zinnig is in zo’n geval: op tijd naar bed. En op tijd is in dit geval vroeg. Tandenpoetsen en je bed in. Bij het flossen merk ik dat er iets tussen mijn achterste kiezen zit. O wat irritant. Ik stoker en poets erop los. Maar ik voel dat er nog steeds wat zit. Nog een keertje flossen dan. En krak! Met de flosdraad komt mijn halve kies mee. Op zich al niet heel leuk. Een vrijdagavond is qua timing en bereikbaarheid van tandartsen niet heel goed gekozen. Als het dan ook nog gebeurt op de dag dat ik met enige bezorgdheid naar de stand van mijn skelet kijk, is het moeilijk niet tot de conclusie te komen dat het nu zo slecht gesteld is met de stevigheid van mijn botten en tanden dat ik met mijn verminderde krachten met een stukje flosdraad mijn tanden kapot trek. En ja, ik weet heus wel dat dit licht pathetisch en overdramatisch klinkt. Maar zie die Jenga-toren voor je. Die steeds een blokje minder stevig staat.

Pluservaringen

Natuurlijk is het niet zo dat er alleen maar tegen de Noomenna-toren aangeschopt wordt. Er zijn ook gebeurtenissen en ontmoetingen die ervoor zorgen dat de gaten die blokken achterlaten gewoon weer worden opgevuld. Een aantal heb ik al genoemd: de negatieve coronatest en het feit dat de bobbel geen uitzaaiing was. Ook de afgebroken kies viel mee. Het was niet een kies die in tweeën gebarsten was maar een oversized vulling die een aantal jaar geleden als tijdelijk was geboetseerd en die nu besloten had dat het einde van die tijdelijkheid was aangebroken. Dat staat volstrekt los van de conditie van mijn tanden en beenderen. Ik ben dan wel zes kilo aangekomen, maar daarvoor was ik 12 kilo afgevallen. Per saldo weeg ik dus nog steeds minder dan ik deed. Het gedoe rond de vaccinatie was eerst een minervaring (ik kom maar niet aan de beurt) toen een minstens zeven jengablokken brede pluservaring (ik krijg hem nu!) en nu weer een minervaring (de onzekerheid over de tweede prik nu het risico van het gebruik van Astra-Zeneca voor vrouwen onder de zestig als hogig wordt ingeschat). In de pluservaringen zitten toch altijd weer mensen die lief voor mij zijn, aan me denken en dat laten merken. Zo heb ik vertrouwen in de zorg van mijn huisarts en weet ik dat zij haar best gaat doen voor een tweede dosis. Ik ben bij de pijnpoli geweest en die behandeling heeft me niet alleen verlicht van de pijn maar ik merk dat ik ook met deze arts een steeds betere band ontwikkel. En dat is fijn. Op mijn verjaardag werd ik overladen met bloemen, kaarten en cadeaus. Ook de natuur die volop bloeit maakt me blij. Alleen al de grote hoeveelheid magnolia bij mij in de buurt van wit tot paars-roze zorgt ervoor dat ik glimlachend rondwandel. Tot slot heb ik vandaag besloten dat het uit is met de pred. Ik heb de hoeveelheid prednison de afgelopen weken heel voorzichtig en gestaag afgebouwd en gisteren de voorlopig laatste dosis geslikt.

Deze tweede paasdag met zijn hagel, sneeuw en onweer is voor mij het begin van een zonnige periode. Dat voel ik!

Het mooie van het woord minervaringen is dat het staat voor min-ervaringen (ervaringen waardoor er blokjes uit de toren worden gehaald) maar dat ik er ook Minerva-ringen inzie. De blokjes die uit de toren gaan zijn dus ook ringen van de godin van de wijsheid. Van elke ervaring leert een mens en met een beetje geluk vormt die lering een verdedigingsring waardoor een volgend blokje minder gemakkelijk uit de toren kan worden getrokken. Al klinkt dit wel weer behoorlijk als ‘what doesn’t kill you makes you stronger en dat is een zinnetje waar ik normaal gesproken woedend van word.

Vaccinatienijd

Begin januari van dit jaar ontving ik een appje van mijn lieve vriendin I. Ze stuurde me een foto van de vaccinatiestrategie waarbij duidelijk was dat ik rond mijn verjaardag aan de beurt zou zijn. Dat vonden wij allebei een passend verjaarscadeau. En behoorlijk te overzien want ik ben eind februari jarig. We gingen er dan wel vanuit dat ik zou behoren tot de groep mensen van 18-60 met medische indicatie hoog risico. Als ik met mijn kanker, mijn door immuuntherapie gewijzigd immuunsysteem, mijn astma, mijn doorlopende luchtweginfectie door de hoogstand van mijn middenrif en mijn immer hoge bloeddruk niet tot die groep behoor, wie dan wel?

Maar ik had buiten de lobbygroepen gerekend. Eerst kwam het ziekenhuispersoneel. Dat kreeg voorrang. Daar had ik wel begrip voor. Toen de huisartsen. Snapte ik ook. Toen kwamen de berichten dat in sommige ziekenhuizen ook het administratieve personeel werd ingeënt. Zogenaamd om geen vaccinvloeistof te verspillen. Ik zou zeggen dat ze in de ziekenhuizen ook een aantal bezoekers van de long- hart- of oncologische poli hadden kunnen plukken als ze vaccins over hadden. Dan handel je tenminste in de geest van de vaccinatiestrategie. De blije filmpjes van studenten die ingezet werden bij de logistiek rond de vaccinatiestraten van de GGD-en en die ook met de overgebleven vaccins waren ingeënt deden mij ronduit pijn. Was het nu echt niet mogelijk geweest om een oproeplijst samen te stellen met mensen uit kwetsbare groepen die in de buurt van de vaccinstraten wonen en die met liefde aan het eind van de dag komen aanrennen om hun mouw op te stropen?

Want steeds als er een groep of een persoon voorrang kreeg, schoof mijn prikmoment een stukje op. Zo ging ik van februari naar maart. Naar april.

Intussen werd de generatie van mijn ouders ingeënt. Mijn vader, mijn ooms en tantes, mijn schoonouders, allemaal mochten ze naar een priklocatie van de GGD. Bij hen merkte ik een soort vaccinatieschaamte. Zonder uitzondering vinden ze dat ik minstens zoveel risico loop als zij en ze zouden met liefde een plekje afstaan als dat zou betekenen dat ik eerder aan de beurt zou komen. Zo werkt het natuurlijk niet. Mensen boven de 80 moeten gewoon zo snel mogelijk een prik krijgen. En bij voorkeur zonder dat het vaccin wordt vergezeld van een fikse dosis schuldgevoel.

Maar toen werd het half maart en besloot de Gezondheidsraad dat gezonde mensen tussen de 60-65 meer risico liepen dan ik. En dat ik niet tot de hoog-risico groepen behoor. Ik kwam erachter doordat een vriendin mij wees op een overheidssite waarop je na het beantwoorden van een paar vragen een indicatie krijgt wanneer je wordt opgeroepen voor het vaccin. Voor mij is dat half mei. Voor mijn vriendin zonder medische indicatie half juni. Ik ben dus drie maanden opgeschoven. En dan nog. De indicatie gaat uit van een gestage levering van vaccins en tot nog toe is de levering steeds achtergebleven bij de verwachtingen.

Toen bedacht ik dat ik iedereen zijn vaccin gun en zeker iedereen die net als ik in angst voor besmetting leeft. Maar dat ik het zo langzamerhand mezelf ook wel heel erg gun.

Wat doet een Noomenna in zo’n geval? Ze bedenkt waar ze invloed heeft. Niet op de vaccinatiestrategie van de Gezondheidsraad. Niet op de levering van de vaccins. Niet op een niet-bestaande oproeplijst bij de GGD. Het enige wat ik kon bedenken is de huisarts. Die is degene die die 60-65 jarigen gaat inenten. En als daar nou iemand niet komt opdagen? Terwijl het vaccin al uit de koeling is? Dat ze dan mij belt. Ik woon in de buurt. Ben altijd thuis. Je hoeft maar te bellen. Kleine moeite. Win-win-situatie.

Eigenlijk schaamde ik me een beetje toen ik mijn huisarts mailde met dit voorstel. Doe ik nu niet precies wat ik die anderen verwijt? Namelijk voordringen onder het mom van verspilling tegengaan?

Mijn huisarts vond het echter direct een goed idee. Ze gaf het zelfs door aan haar collega’s. Eigenlijk moesten ze allemaal een aantal patiënten bedenken die ze zouden gaan bellen op het moment dat er een spuit overbleef. Er zijn nu eenmaal mensen die niet passen in de richtlijnen maar die wel overduidelijk risico lopen. En wat haar betreft stond ik bovenaan het lijstje. Bovendien leert de ervaring dat mensen op het laatste moment afhaken. En het schaarse middel verspillen, is het laatste wat je wil.

Vanaf dat moment hield ik goed in de gaten wanneer de huisartsen in mijn regio zouden mogen beginnen met vaccineren. Eerst mocht Zeeland. Toen Brabant. En op het moment dat mijn regio aan de beurt was, werd het vaccineren met AstraZeneca twee weken opgeschort. Dat kon er ook nog wel bij. In mijn hoofd ging mijn vaccinmoment van half mei naar eind mei/ begin juni. Ik haalde opgelucht adem toen het vaccineren hervat werd.

Afgelopen donderdag zat ik bij de tandarts. Mijn kies was afgebroken dus er moest een noodvulling in. Ik had mijn beide telefoons op stil gezet. Toen ik bijna thuis was, zag ik dat ik een hoop telefoontjes gemist had. Van mijn huisarts. En daarna van mijn man. Op beide telefoons. Ik belde mijn lief. Ze hebben er één over! Ze kunnen je niet bereiken! We moeten nu naar de huisarts!

Met het allereerste buisje vaccinvloeistof dat ze open hadden gemaakt konden ze hun negen doktersassistentes inenten. Maar ze haalden er nog een tiende dosis uit. En zelfs een elfde. De tiende mocht ik. Gelukkig waren ze nog niet iemand anders gaan bellen. Ze hadden er vertrouwen in dat mijn man mij binnen afzienbare tijd op de praktijk zou afleveren. Voor de elfde dosis belden ze wel een volgende. Maar de tiende mocht ik.

Ik heb hem binnen.

En ik blijf meevoelen met alle anderen die nog in bange afwachting zijn van zo’n stomme prik. De nieuwe woorden in mijn vocabulaire zijn vaccinatienijd en vaccinatieschaamte.

Zelfhulp Boeken FM

De hulpvraag wordt meestal zo schuchter gesteld dat ik hem niet eens oppik. Of ik wel hulp heb/ of ik geen hulp zou moeten zoeken/ of ik wel eens over hulp heb nagedacht. Vaak ben ik al uitgebreid aan het vertellen over de lieve A die mijn huis schoner houdt dan ik ooit zou kunnen voor ik in de gaten krijg dat zij niet wordt bedoeld. De vrager kijkt me geschrokken aan, bang er nog meer woorden aan te moeten geven. Oh, je bedoelt HULP. Van de mentale, psychologische, psychiatrische variant. Meestal vertel ik dan over het gesprek dat mijn lief en ik tijdens het kankerjaar hadden met de maatschappelijk werker van het UMC. Die keek ons monter aan en zei: ‘Tja, jullie doen het eigenlijk heel goed. De situatie is gewoon rot en veel verbetering is er niet te verwachten. Let op elkaar en ga zo door.’

Maar nu is het mijn kankercoach die het onderwerp aansnijdt. ‘De dood is wel een beetje een thema in jouw leven’ zegt ze fijntjes. Op zo’n constatering zijn natuurlijk een heleboel replieken mogelijk: De dood is de enige zekerheid in het leven. Of: Het leven bestaat bij de gratie van de dood. of: Het refrein is Hein. of: Ga iemand anders pesten.

Ik koos voor geen van deze antwoorden. Ik kan niet ontkennen dat ik bij vlagen verval in diepe doodsangst. Al was het maar omdat ik er in dit blog over heb geschreven. Ik zie de doodsangst vooral gekoppeld aan de angst voor besmetting met Covid-19 en aan de kankerscans die me steeds weer drie maanden erbij te leven geven. Ik weet niet of je dat een thema zou willen noemen. En als het al een thema is, wat moet je dan met die wetenschap? Hulp zoeken?

In geval van kanker en hulpvraag kom je al gauw uit bij het Helen Dowling Instituut. Dus die belde ik op. Ik had een leuk gesprek met een vriendelijke dame en een nare boodschap. De wachtlijst was lang. Ik belde eind december dus er was sprake van een kerstvakantie en dan van een wachttijd van een week of acht, dan van een intake en dan een week of zes later start van de eventuele hulp. We kwamen uit op een datum ergens in april. Tegen die tijd zou ik allang gevaccineerd zijn waarmee mijn meest acute doodsangst als verdwenen mocht worden beschouwd. De vriendelijke dame wilde me alle liefde op de wachtlijst zetten maar raadde me aan mijn huisarts te vragen om een alternatief.

Zo zat ik begin van dit jaar tegenover mijn huisarts. Zij kent me al langer dan vandaag en vroeg zich af of mijn klachten niet veel meer te maken hadden met de coronamaatregelen dan met corona: “Je bent veel te leuk om je dagen in eenzaamheid te slijten!” Probeer daar maar iets tegenin te brengen. Dan moet je beginnen met ontkennen dat je leuk bent.

Maar mijn huisarts is de rotste niet en ze beloofde de vraag “Wie weet een therapeut die goed is met dood?’ in de grote huisartsen-groepsapp te stellen. Zelf kon ze zo gauw niemand verzinnen. Ze had wel een andere tip. De podcast Boeken FM. Die zou ik zeker leuk vinden. Echt iets voor mij. Met boeken en cynische humor.

Braaf zocht ik de dag daarop de podcast op. En mijn huisarts heeft meer dan gelijk. Het is slim en hilarisch. Erudiet en urgent (tenminste in seizoen 2). Ik moet vaak hardop lachen tijdens het luisteren. Alsof ik bij vrienden op de bank zit en in een luisterbui ben. Of ik de boeken die ze bespreken nou wel of niet gelezen heb, of ik het boek nou goed of slecht vond, het is om het even. En het kan natuurlijk aan de thematiek liggen, maar mijn doodsangst is bij het luisteren ver weg.

WIA-ja of WIA-nee

En dan is het meer dan twee jaar geleden dat ik de uitzaaiing in mijn hals ontdekte. Die is in december 2018 weggesneden, maar ik had me al voor de operatie ziek gemeld. Niet omdat ik me moest voorbereiden op de operatie of zo maar ik was benauwd en aan de prednison. Ik herinner me dat het nog een hele toestand was want ik moest voor de operatie en niet meer benauwd en niet aan de prednison zijn. Verder waren er weinig vereisten.

Die grens van twee jaar ziekteverzuim is relevant omdat de werkgever vanaf dat moment de zieke werknemer mag ontslaan. Het idee is dat als je al twee jaar ziek bent de kans niet heel groot is dat je herstelt. Nou is het niet zo dat ik al die tijd niet gewerkt heb. Eigenlijk ben ik zoveel mogelijk blijven werken totdat ik in april 2019 nog een keer geopereerd werd, overal uitzaaiingen had en begon met de immuuntherapie. Toen ben ik een paar maanden uit de running geweest en daarna ben ik heerlijk gaan revalideren en re-integreren.

Voordat de kanker terugkwam werkte ik 32 uur. Nu haal ik ongeveer de helft daarvan. Ik ben druk bezig met mijn conditie te verbeteren in de hoop dat ik sterker word en dan weer meer kan werken. Maar wat ik ook hoop en hoe ik ook mijn best doe, het moment nadert waarop ook mijn lieve werkgever het zich niet langer kan permitteren om mij voor 32 uur in dienst te houden.

Om dan niet direct financieel aan de grond te komen zitten is er de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Dat is een werknemersverzekering waar je aanspraak op kunt maken als je (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt wordt. Ik had mijn aanvraag al in augustus ingediend bij het UWV. Ze zouden voor eind oktober beslissen. Maar oktober kwam en ging. Ik hoorde niets van het UWV. Ik heb nog eens gebeld hoe het ermee stond, maar mijn aanvraag was ‘in behandeling’ en ze lieten weten dat ik geduld moest betrachten.

Intussen werd ik door de bedrijfsarts, de arbeidsdeskundige en mijn verzuimcoördinator geprept. Mijn dossier leek weinig complex. De brieven van de mooie oncoloog en de lieve longarts lieten weinig ruimte voor interpretatie. Maar toch. Er zijn artsen bij het UWV die een bepaalde opvatting van hun vak hebben. Je moet het treffen. Ze drukten mij op het hart nooit alleen naar de keuring te gaan. Als het gesprek onaangenaam wordt, benoemen en afkappen. Direct bezwaar maken. Ze kunnen de gekste dingen vragen. Misschien is het verstandig een opname te maken. Daartoe heb je het recht. En bovenal: zorg dat je het niet te klein maakt. Dat je niet in je overdreven optimisme doet alsof het allemaal wel meevalt.

Zulke dingen. En ik wandel maar voort met het zwaard van Damocles boven mijn hoofd.

Als het eind december is wordt mijn werkgever ongeduldig. Het blijft geen feest met die UWV. Ik vermoed dat er op hoog niveau contact is geweest. Ik werd namelijk tijdens de kerstborrel gebeld dat ik op 4 januari een gesprek met de verzekeringsarts tegemoet kon zien. Lekker dan. Had ik in elk geval iets om naar uit te kijken tijdens de kerstvakantie.

Om de een of andere reden vindt het UWV het van groot belang te weten hoe mijn dagindeling eruit ziet. Ik nam me voor dat eens goed uit te schrijven. Voor je het weet vergeet je hoe laat je altijd gaat douchen en worden daar verstrekkende gevolgen aan verbonden. Of misschien hebben ze wel stiekem toegang tot mijn stappenteller en zien ze dat ik tijdens werktijd gewoon een ommetje maak. Of weten ze door mijn snurkslurf te hacken precies hoe lang ik slaap en waarover ik droom. Ik bleef duidelijk heel ontspannen onder het zwaard.

Tammo en ik vertrokken voor de kerstvakantie naar Terschelling. We zouden 1 januari weer thuis komen. Dan had ik het hele weekend nog om me druk te maken over de keuring. Het UWV-zwaard liet ik achter in Utrecht.

Wie schetst mijn verbazing als ik al wandelend over het strand een oproep mis. Onbekend nummer. Het bleek de UWV. Niet de keuringsarts, maar een assistente of zo. Die middag belde ze nog een keer. Ik hield intussen mijn hart met beide handen vast. Ze belde vast niet voor de gezelligheid in de dagen tussen kerst en oud-en-nieuw. Waarschijnlijk iets met uitstel.

Van uitstel was echter geen sprake. Sterker nog al gauw bleek dat we een stukje keuring nu direct gingen doen. Namelijk een check op de volledigheid van de bij het UWV bekende medicijnen, zorgverleners en het befaamde gesprek over de dagindeling. Ik voelde me enigszins overrompeld, maar het was geen onprettig gesprek. Sterker nog. Het was een leuk mens. En wat er nou precies ingewikkeld was aan het vertellen hoe je dag er zo’n beetje uitziet, is mij niet duidelijk geworden. Toen ik in mijn beschrijving rond een uur of vier was aanbeland en ik nog geen tijd voor lunch had uitgetrokken kon ik rustig vaststellen dat de beschrijving behoorlijk overeen kwam met de werkelijkheid waarin het ene overleg naadloos aansluit op het volgende dat weer overlapt met het daaropvolgende. Daar moest de UWV-dame wel om lachen. We waren al gauw een half uur aan het kletsen en ik vroeg me af of er nog wat te vragen over was gebleven voor de verzekeringsarts.

Nou er bleken nog best wat onderwerpen over te zijn om te bespreken. Hele lijsten moesten worden afgewerkt. Hoe lang kan je zitten/ staan/ lopen? Hoe goed kan je bukken of zware dingen tillen? Hoe gaat het met je concentratie? Ik werd er moedeloos van. Want als je op zoek gaat naar dingen die ik niet of niet goed kan, zijn dat er wel veel. Soms antwoordde ik wat optimistisch. Dat merkte ik omdat ik Tammo’s wenkbrauwen de lucht in zag schieten. ‘Wacht,’ riep ik dan ‘Mijn man fronst. Hij denkt er anders over’. Dat gebeurde zeker een keer of drie en elke keer ging de arts mee met Tammo’s inschatting in plaats van de mijne. Mannen spannen ook altijd samen.

Het wachten is nu op het oordeel van de arbeidsdeskundige. Maar daar hoefde ik me volgens de keuringsarts geen zorgen over te maken. Ik kom vrijwel zeker in aanmerking voor een uitkering. En het zwaard? Dat hangt nog altijd boven mijn hoofd. Maar ik begin zo langzamerhand te vermoeden dat het een speelgoedzwaard betreft. Een zwaard dat mij niet deren kan. Of me hooguit wat blauwe plekken kan opleveren.

Hoog water

Vroeger, toen ik op de lagere school zat (zo heette dat toen nog) was ‘hoog water’ een ding. Het had te maken met de lengte van je broekspijpen. In die tijd wilden mijn benen nog wel eens groeien en dan kon het gebeuren dat je in je favoriete broek naar school ging en dat je dan op het schoolplein werd ontvangen door een groep klasgenoten die in koor ‘Hoog water! Hoog water!’ naar je riepen. Wie dat moment bepaalde, weet ik niet. Maar van de een op de andere dag bleek je stoere, ribfluwelen broek met een appeltje op de knie niet langer te kunnen. Onbegrijpelijk. Dat ik afscheid moest nemen van die broek ging mij boven de pet. Maar ik snapte ook niet wat hoog water met mijn broek te maken had.

Daar ben ik inmiddels wel achter. Eergisteren gingen Tammo en ik een stukje wandelen in de duinen op Terschelling. Het was niet koud, de lucht had stukken blauw en het rook heerlijk. De duinenrijen worden afgewisseld met valleien die ze hier plakken noemen. Daar groeit onder meer heide, cranberry, kruipwilg en gagel. Tussen de begroeiing door loopt een netwerk van smalle paadjes, soms bedoeld voor wandelaars, vaker ingesleten door grote grazers, hazen of konijnen. Voor Tammo maakt het niet uit of het een pad met een grote P betreft. Hij heeft een strak richtingsgevoel en als er geen enkel weggetje de juiste kant opgaat, dan nemen we een padbesluit. Dat wil zeggen, we banen ons een weg door het struikgewas en prijzen ons gelukkig als we niet ergens vast komen te zitten tussen een kudde duindoorns, bramen of prikkeldraad.

Dit keer bleek het pad door de vallei waar we in de zomer nog gentiaantjes en zonnedauw hadden bewonderd afgezet met een stevig hek. Een kudde vrolijk mekkerende geiten deed zich tegoed aan de begroeiing. Ik deed een stille wens dat Staatsbosbeheer goed heeft nagedacht over de combinatie zeldzame flora en allesetend kleinvee. We liepen dus om de geitenwei heen, klommen een duin op en hobbelden via een hazenpad naar beneden richting plak. Daar kozen we een veelbelovend paadje met het idee om aan de overkant weer terecht te komen op de wandeling die we door de afrastering anders hadden moeten insteken.

De ondergrond was vochtig, maar ik had mijn door de ANWB-gegarandeerd waterdichte wandelschoenen aan dus ik had geen last van koudwatervrees. Maar na een stap of 100 bleek het pad veranderd te zijn van klam-vochtig in een ondiep beekje. Mijn schoenen waren dan wel waterdicht, maar de zoom van mijn broek werd behoorlijk nat. En dat vocht begon een weg naar boven te zoeken. Ik ben echter niet voor één gat te vangen en stroopte mijn broek op tot halverwege mijn kuit.

INZICHTFLITS: hoog water!

Blijkbaar hadden die kinderen op mijn lagere school ervaring met het fenomeen van hoog water en dat je dan je broekspijpen moet opstropen om droog te blijven. En dat je je niet zo maar kunt permitteren om lekker met kortige pijpen rond te lopen terwijl er geen sprake is van hoog water. Het moet wel nut hebben. Anders is het reden tot luidkeelse terechtwijzingen. Ik denk dat mijn oud-klasgenoten het goed doen op Twitter. #hoogwater #kandusechtniet

Zo zie je maar: ik zal antwoord vinden op de vragen die mij ooit tot wanhoop en slapeloze nachten dreven. Al duurt het veertig jaar.

En de wandeling? Was hartstikke leuk. Maar als het water tot boven je enkels reikt zijn waterdichte wandelschoenen weinig nuttig. Het water loopt er dan wel in, maar kan er niet meer uit. Het gevolg is dan een fijn verfrissend voetenbad.

Weer wat geleerd.

Living together apart

Plaatje geleend van Terschelling

Om mijn immuunsysteem een boost te geven besloot ik naast de griepprik ook een pneumokokkenvaccin te laten zetten. Dat was niet direct evident. Het rijksvaccinatieprogramma bepaalt dat het pneumokokkenvaccin dit jaar gegeven wordt aan alle 73- tot en met 79-jarigen. En hoewel een dame haar leeftijd graag in nevelen hult, kan ik gerust stellen dat ik minder lentes tel. Mijn longarts en huisarts vonden het een echter een goed idee en zo kreeg ik begin november in mijn linkerarm de griepprik en in mijn rechterarm een spuitje afgezwakte pneumokokken.

De immuunreactie liet niet lang op zich wachten. En aangezien mijn lichaam ervan overtuigd is dat de beste afweer bestaat uit het zwellen van slijmvliezen en het dichtknijpen van longen werd ik behoorlijk benauwd. Dat was oké. De prikken had ik donderdagmiddag gekregen. Vrijdagochtend had ik nog één werkafspraak staan en daarna mocht ik me drie dagen richten op ademhalen. En die drie dagen waren niet eens nodig. Na twee dagen rustig aan doen ging het weer goed genoeg voor een wandelingetje in het Gagelbos en een bezoekje aan de schoonouders.

Ik vond het sympathiek dat Tammo een beetje met mij mee dweilde. Hij deed zaterdag ook geen Pilates en begon een beetje te snotteren. En wat te niezen. Toen hij zondagavond wat waterig uit zijn ogen begon te kijken, vond ik het minder gezellig. Maar maandag leek het beter. We gingen allebei gewoon aan het werk. Ik was blij dat ik nog geen hele dagen hoefde, want ik voelde me behoorlijk uitgeput. Echt benauwd was ik niet meer. Er restte nog een soort rauwe keel, een droog hoestje. Hoorde dat ook nog bij de reactie op het dubbele vaccin?

Dinsdag klaagde Tammo over keel- en hoofdpijn. Ik vond dat hij zo langzamerhand voldeed aan de testcriteria van het RIVM en dat hij een afspraak bij de GGD moest maken. Tammo vond het onzin omdat hij gewoon een beetje verkouden was. Meer om mij een plezier te doen en vermoedelijk van het gezeur af te zijn dan omdat hij het zelf nodig vond, maakte Tammo de volgende dag een afspraak. Hij kon donderdagmiddag terecht.

Nu we een testafspraak hadden, vond ik dat we ook de andere maatregelen moesten volgen. We haalden de 1,5-meter-maatschappij in huis. Ik maakte het bed op in mijn werkkamer, pakte de rolmaat uit de schuur en mat onze plekken op de bank en aan tafel minutieus op. Het was toch al mijn vrije dag en dus poetsdag maar dit keer besteedde ik extra aandacht aan deurkrukken en lichtknopjes. Ook gebruikte ik hogere temperaturen voor de vaat en de was.

Maar dat ging over aanpassingen in de ruimte. Dat is nog wel te overzien. Maar achteruit te deinzen als je je eigen lieve man in de gang tegenkomt is een bevreemdende ervaring. Ik vond het onthutsend. Het doet iets met je gevoel van veiligheid. Ik was blij dat ik ’s avonds na een afstandelijke maaltijd waarbij Tammo aangaf niets te proeven (sic) een zoom-afspraakje met vrienden had. Voor mij was dit verlies van smaak doorslaggevend: we moesten de test natuurlijk afwachten, maar Tammo had duidelijk Covid-19 opgelopen.

Mijn vrienden waren er ook niet erg gerust op. Ze vroegen of ik me niet ook moest laten testen, of we de WC’s al gescheiden gebruikten en of ik Tammo of mezelf misschien ergens zolang kon onderbrengen. Tammo is een gezonde, slanke man in de bloei van zijn leven. Zijn risico op complicaties is niet groot, maar ik ben een soort matroesjkapoppetje van kwetsbaarheden. Er is de astma, de doorlopende infectie in de linkerlong, de medicatie die de immunoglobuline beïnvloedt, de kanker en als binnenste, kleinste poppetje, de immuuntherapie die de afweer blijvend heeft aangepast.

De volgende ochtend zat ik alweer vol daadkracht. Ik zocht het hele internet af naar maatregelen voor kwetsbare personen als een huisgenoot positief test. Die bleken niet te vinden. Er waren een heleboel maatregelen voor huisgenoten van Covid-lijders. Er waren een heleboel adviezen voor kwetsbare personen, maar een combinatie van die twee vond ik niet. Dus mailde ik mijn longarts. Dat mijn man verkouden was en getest werd. Of hij adviezen voor mij had die verder reikten dan de anderhalvemeter-maatregel.

Ik verwachtte een sussende reactie. Iets met eerst afwachten of die test echt wel positief is. Dan afwachten of je zelf verschijnselen krijgt, en dan als je echt benauwd wordt, dan pas moet je aan de bel trekken. Het ging anders. Hij belde me direct op. Hij zou een kuur dexamethason bij me laten bezorgen. Dat is niet geheel volgens protocol, maar hij had het al eerder gedaan en in mijn geval leek het hem zeker raadzaam. Ik moest de kuur starten zodra het positieve (en dus voor ons negatieve) resultaat van Tammo’s test binnen was. Als ik eerder al iets van klachten bij mezelf opmerkte kon ik ook eerder starten. Over de longembolieën maakte hij zich minder zorgen. De middelen die ik gebruik zouden afdoende moeten werken. Hij zag geen meerwaarde in mij laten testen. Als ik naar het ziekenhuis zou komen, deden ze het daar wel. Want o ja, als ik ondanks de dexamethason benauwd werd, meteen bellen met de longarts van dienst. Niks te huisartsen of GGD-en. Hup naar het ziekenhuis. Ik dacht met weemoed aan mijn ziekenhuiskoffertje dat ik net had opgeruimd. (zie het opruimvirus)

De longarts vond het moeilijk voor ons te beslissen of Tammo het huis uit moest. Het zou natuurlijk beter zijn. Maar eigenlijk dacht hij dat het kwaad al geschied zou zijn. Voor hij ophing zei hij dat hij de volgende dag de hele dag bereikbaar zou zijn voor overleg.

Daar was hij weer. De doodsangst. Hij nestelde zich in de ruimte onder mijn linkerlong die de hoogstand van mijn middenrif heeft gecreëerd. Daar, vlak onder mijn hart begon hij te spinnen. En langzaam blies hij zichzelf op. Tot hij steeds meer ruimte innam en ik steeds minder.

Ik ben aan het werk gegaan. Dat blijkt gewoon te kunnen. Ook als je door de angst bent weggedrukt. Timide zochten Tammo en ik onze weg in ons gespleten huis. Aarzelend in deuropeningen. Schichtig in de gang en op de trap.

Ik maakte contact met mijn innerlijke Mevrouw Helderder. De hele dag was ik in de weer met sopjes en schone handdoeken. In elke kamer die even niet gebruikt werd, zette ik de ramen open. Tammo keek me meewarig aan. Hij dacht echt dat hij gewoon verkouden was.

Die avond zat ik te rillen in de woonkamer met de tuindeuren open. Tammo kwam naar beneden en zei dat ze nou wel weer dicht mochten. Ik wilde verontwaardigd van leer trekken. De RIVM heeft immers minimaal 30 minuten gedecreteerd. Maar Tammo suste mijn woorden met een kus: de goden waren ons genadig. We hoefden niet nog een nacht gescheiden te slapen. De test was negatief.

Lichtpuntjes

In de jaren negentig van de vorige eeuw was er een hoop te doen over de vraag of het waar was dat mannen van Mars kwamen en vrouwen van Venus. Het leek me tamelijk onzinnig om te proberen zoveel mogelijk verschillen tussen de seksen te benoemen. Ik denk altijd dat we vooral heel veel gemeen hebben met elkaar. En dat dergelijke theorieën wellicht iets zeggen over een groep, maar dat je daar in de omgang met individuen niet per se wat aan hebt.

Heel soms echter bekruipt mij het gevoel dat er wellicht een kern van waarheid in zit. Misschien zelfs wel een kern die past bij mijn eigen individuele niveau.

Het kwam waarschijnlijk door de oproep van onze minister-president. Dat we allemaal zoveel mogelijk thuis moesten werken. Of het kwam door de wintertijd. Waardoor de nacht ons ineens overviel. Of het kwam door een combinatie van die en andere dingen. Maar Tammo en ik besloten vrijwel gelijktijdig dat we op onze werkkamer meer licht nodig hadden.

We hebben allebei een eigen werkkamer, die we geleidelijk aan steeds meer inrichten als een echt kantoor. Eerst bestaan de kamers vooral uit een tafel met een laptop. Dan volgt toch maar een apart toetsenbord. Dan een houder voor de telefoon. Een groot beeldscherm. En dan nu meer licht.

Nou is het uitkiezen van een lichtbron nog lang niet eenvoudig. Er zijn namelijk best veel lampenverkopers. En best veel soorten lampen. Het is dus van belang een goede zoekterm te gebruiken. Ik typ in: kleurrijke bureaulamp. Al gauw kom ik er achter dat je dan alle bureaulampen die een kleur hebben (= alle bureaulampen) te zien krijgt. Op goed geluk selecteer ik een winkel en geef daar aan dat ik een tafellamp wil in de kleuren paars, roze of multicolor. Nu blijk ik vooral bij de kinderlampen uit te zijn gekomen. Allerlei schattige lampjes met roze kapjes. Ik stuit zelfs op een Barbie die een lampje vasthoudt. Heel roze, maar niet helemaal mijn stijl.

Hele avonden besteed ik aan het koekeloeren naar lampen. Ik ben al bijna zover dat ik meen dat ik een tiffany-lamp moet hebben. Een bloemvormige of misschien een met een vlinder. Toch koop ik nog niks. Ik twijfel of die dingen genoeg licht geven, of ze niet te duur zijn en bovenal of ik er blij van word.

Met dat gegeven in mijn achterhoofd doe ik nog één poging. Ik zoek vrolijke paarse bureaulamp. Dat brengt me bij een blog met inderdaad een paarse bureaulamp. Best vrolijk. Het kost enige moeite om via het blog bij de site van de winkel terecht te komen. Als me dat dan toch lukt blijkt de paarse lamp niet langer in het assortiment te zitten. Gelukkig kijk ik nog even verder op die site. En daar zie ik hem: een bureaulamp op een flexibele steel. Dat zou je vrolijk kunnen noemen. Hij is rood en wordt opgefleurd door paarse bloemen. Op dat moment weet ik nog niet eens dat er een knalroze snoer en schakelaar bij hoort. Ik heb hem gevonden. De Noomenna-lamp. Bij een Frans bedrijf met het motto Créateurs de sourire. Hoe kan het ook anders?

En Tammo? Tammo doet het net iets anders. Hij zoekt op daglichtlamp en een paar dagen later wordt een groot pakket bezorgd. Het bevat een industrieel-ogende lichtbak voor aan het plafond. Met afstandsbediening waarmee je de lichtintensiteit, de lichttemperatuur en de lichtsnelheid kan instellen. Daarmee tover je nou een glimlach op het gezicht van mijn man.

En zo kwam er licht op Venus en op Mars.

Noomennalampje

Het opruimvirus

Laatst merkte iemand op dat ik zo goed naar de dingen kijk. In dit geval ging het om een laurierblaadje dat overduidelijk de vorm van een hartje had, daar hoefde je volgens mij niet heel goed voor te kijken. Maar ik hoor het vaker. Terwijl ik zelf juist vind dat mijn grootste talent is om de dingen niet te zien.

Zo staat er sinds mijn eerste kankeravontuur een tafel midden in de woonkamer. Ik was toen namelijk begonnen aan een groot mozaïekproject: een buitentafel. We zijn inmiddels vijf jaar verder. De buitentafel is overduidelijk een binnentafel geworden. Hij is voor meer dan de helft bemozaïekt, maar het is maanden geleden dat ik voor het laatst een stukje aan de puzzel toe heb gevoegd. Onder de tafel ligt een zeiltje om lijmresten op de vloer te voorkomen. Op het zeil liggen tegels, lijm, snijmateriaal, kaarsen, een lamp die moet worden opgehangen, stiften, een massagebal, handige papieren tasjes en de krant van vorige week. Ook de bovenkant van de tafel raakt langzaamaan bedolven. Het is immers een heel handige plek voor een doos met foto’s van Mieke, woordenboeken, een stofdoek, champagneflutes, pleisters en post die wacht op beantwoording. En eerlijk, het is dat ik het nu ging beschrijven, maar ik kijk er volstrekt omheen.

In het begin van de coronaperiode is iedereen druk in de weer geweest met het opruimen van hun huis. De buurt-app stond vol kinderkleren, fatboys en frituurpannen die je gratis kon ophalen en er leek geen einde te komen aan de rijen voor de afvalscheidingsbedrijven. Ik leek lange tijd immuun voor dit opruimvirus maar nadat de wespen uit de zolder verdwenen waren, raakte ook ik besmet. Wespen zijn kleine dieren maar als je heel veel dode exemplaren verzamelt, geven ze een intense lijklucht af. Alles moest dus schoon. De vloeren, de gordijnen, de kasten, tussen de kasten, achter de kasten, op de vliering en steeds vond ik weer een dode wesp. Ik heb zelfs de zoldertuimelramen gelapt. Maar als je schoon wilt maken, moet je eerst opruimen. Dat gold al toen ik als kind eens in de week mijn kamer moest opruimen omdat mevrouw H. kwam schoonmaken. Daar kon ik in die tijd overigens maar zeer beperkt begrip voor opbrengen.

Maar nu ging ik los. In plaats van alles op tafels en op kasten te zetten, begon ik gebruik te maken van de ruimte aan de binnenkant van de kasten. Daar bleek best veel in te passen als je het met enig beleid aanpakte. Ik heb zelfs een sieradendoos gekocht om de overal rondslingerende oorbellen in op te bergen. Ik herkende mezelf niet meer terug. Waar was de spreekwoordelijke sloddervos gebleven?

En zo doende struikelde ik over het koffertje. Het stond zwijgend naast de trap. Klaar om mee te grissen. Toen ik het open deed vond ik een gevulde toilettas, een pyjama, sokken en ondergoed. Zelfs een paar pantoffels. Het was mijn ziekenhuiskoffertje. Hoe vaak heb ik het afgelopen jaar niet dat zinnetje gehoord? Als ik met de spoedeisende hulp aan de telefoon zat en duidelijk werd dat ik moest komen eindigde het gesprek met: “En neemt u maar vast een koffertje mee. Voor de zekerheid.”

Even aarzelde ik. Misschien toch maar laten staan? Voor de zekerheid? Misschien zou ik de goden verzoeken als ik het koffertje op zou ruimen. Zoals je een paraplu meeneemt om daarmee een regenvrij uitje af te dwingen. Maar ik wil niet meedoen aan wensdenken. En in een godheid die kanker stuurt omdat je een koffertje leegruimt wil ik al helemaal niet geloven. Dus ik haalde het koffertje leeg. Ik borg de kleren op in mijn kast en ik verzon een nieuwe plek voor de toilettas. Het koffertje zette ik achter het kamerscherm. Hij is uit het zicht. Maar als de paniek me om het hart slaat en ik mezelf Covid zie krijgen en dan uiteraard afgevoerd moet worden naar het ziekenhuis, dan hoef ik maar om het hoekje te kijken. Daar staat het koffertje. Paars en betrouwbaar. Maar nog even niet nodig.

De muur zoemt!

Het is alweer enige tijd geleden dat ik op een ochtend wakker werd en er aan mijn bil gekriebeld werd. Ik kon me niet voorstellen dat mijn lief me op deze subtiele manier benaderde, dus ik gaf een zwieper met mijn hand. Au! Ik zat direct rechtop. Op de grond naast het bed zat een verdwaasde wesp. Als in een tekenfilm cirkelden er sterretjes rond zijn hoofd. Hele kleine sterretjes. Omdat ik beschik over een groot analytisch vermogen begreep ik direct dat er een verband bestond tussen het gekriebel en daarna geprik in mijn bil en het halfdode insect. Kordaat stond ik op en liet ik een boek op de wesp vallen. Einde wesp.

Weken later. Ik lag weer te slapen. Dit keer werd ik wakker omdat iemand heel gemeen in mijn schouder aan het steken was. Ik wist niet zo goed wat ik moest doen, vermoedelijk gestoord in een diepe droom, dus maakte ik mijn man wakker. De wesp die mij aan het steken was, deed intussen verwoede pogingen om zich los te rukken maar zijn angel zat muurvast in mijn schouder. Tammo toonde zich een ware man en beschermer: hij trok de wesp met angel en al uit mijn schouder, sloeg hem dood, wierp hem het raam uit, kroop weer in bed en sliep verder.

Terwijl het gif zorgde voor venijnige pijn vroeg ik me af of het eigenlijk wel normaal genoemd kon worden dat een dame twee keer in haar bed gestoken wordt. Ik had eigenlijk ook best vaak dode wespen gezien de afgelopen tijd. Ergens zat een nest. Zoveel was zeker. Maar waar?

Mijn lieve hulp A. bood uitkomst. Zij zag een wesp die zich snel terugtrok achter de wasmachine toen hij haar naderbij zag komen. Nu hebben wij een keurige ombouw om de wasmachine en de droger, dus het is niet eenvoudig achter de wasmachine te koekeloeren. Maar daar was weer mijn held. Dit keer met de schroefboormachine. Maar toen de hele ombouw was weggehaald, was er geen nest of wesp te zien.

Omstreeks die tijd zal het zijn geweest dat ik ze begon te horen. Niet het gebruikelijke gezoem, maar het knagen van honderden kleine wespenkaken. Ik hoorde het terwijl ik in bed lag en de slaap niet kon vatten. Maar Tammo hoorde niets, dus ik dacht dat ik zoals gebruikelijk weer wat voor me uit zat te hallucineren.

Tot ik op een dag bezig was met het uitladen van de wasmachine en ik ze heel duidelijk kon horen. Zeker als ik mijn hoofd tegen het plafond hield. Dit is misschien het moment om uit te leggen dat wij op zolder slapen en dat er sprake is van een schuin plafond, niet dat ik ineens een extreem lange nek heb genomen of zo. Ik riep, zoals het een goed huisvrouw betaamt, mijn man erbij en nu hoorde hij het ook. Duidelijk. Het was weer tijd om de schroefboormachine erbij te pakken.

Toen de ombouw weer verwijderd was, bleek er achter de wasmachine wat zaagsel te liggen. Hier hadden de nijvere insecten een gat door ons dak heen geknaagd. En zo konden ze binnen komen en als ze daar zin in hadden een klein hapje Noomenna nemen. Zo’n gaatje is natuurlijk snel gedicht, maar de kans dat daarmee het probleem verholpen is, is klein. Dus klom Tammo het zolderraampje uit, en zag vanuit de dakgoot dat het op het dak onder het lood een af-en-aan-gevlieg was van wespen.

Nou is Tammo een groot natuurliefhebber, maar van zijn vrouw moeten ze afblijven, dus diepte hij uit de schuur een inmiddels lang verboden gif op. Op één been balancerend in de wankele dakgoot, de vliegroute zoveel mogelijk vermijdend, kon hij nog net in de opening of daar in de buurt het doodbrengende poeder laten dwarrelen. Gelukkig kwam hij heelhuids weer de zolder op geklommen.

Toen gingen wij drie weken op vakantie.

Ik had mijn lieve hulp A. half schertsend gezegd dat ze als ze de dag voordat wij terug zouden komen het huis kwam poetsen ze er goed aan zou doen eerst haar oor tegen de deur naar de zolder te luisteren te leggen. Ergens had ik toch een soort visioen dat de wespen in onze afwezigheid de hele zolder zouden koloniseren. En dat ze en masse naar buiten zouden komen gezwermd zodra de deur open zou gaan, want alle zolderramen zaten dicht. Of ze dat gedaan heeft, weet ik niet. Maar ze belde me wel ontdaan op: de hele zolder lag vol dode wespen. De zolder was één groot wespenkerkhof. Honderden dode wespen. Overal lagen ze. Op de grond, op het bed, op de trap, in de gordijnen, tussen de jaloezieën. Overal. Een hele stofzuigerzak vol.

We besloten na thuiskomst voorlopig een verdiepinkje lager te gaan slapen.

Inmiddels vlogen de wespen (ze waren duidelijk niet allemaal dood) weer vrolijk in en uit onder de dakpannen en hoorde ik ze weer ijverig knagen in ons dak. Het was duidelijk dat de wespenkwestie ons boven het hoofd was gegroeid. Het werd tijd om een professional in te zetten.

Dat bleek nog niet direct eenvoudig. Het maken van een wespennestvernietigingsafspraak kan gemakkelijk online, maar als je bij de gegevens van het nest aangeeft dat het hoger dan 8 meter boven de grond huist, wordt het proces gestopt. Er moet dan overleg gepleegd worden. In dergelijke gevallen moet namelijk een hoogwerker worden ingehuurd en wordt het gebruikelijke tarief verhoogd met een hoogtetoeslag. Het ontwespen begint dan ineens flink in de papieren te lopen.

Mij maakt het niet uit. Ik wil geen wespen in mijn dak. Ik heb het gevoel dat de wespen de gehele ruimte tussen het dak en de plafondplaten niet alleen hebben gevuld met kamertjes voor de larven, maar dat ze ook voor elk larfje een eigen badkamer hebben aangelegd en een walk-in closet.

Dan belt De Wespendeskundige. Hij vraagt wat voor last we eigenlijk hebben van de beestjes. Dit lijkt een soort grappige retorische vraag, maar hij meent het echt. Zolang ze via het dak naar buiten gaan en niet naar binnen doen ze ons geen kwaad. Bovendien is er steeds meer sprake van een empty nest. De bevruchte koninginnen zijn al uitgevlogen. De larven zijn groot. Er zijn nu alleen nog maar werksters en zij zullen sterven bij de eerste nachtvorst.

Het advies is dus: toegangen naar binnen dichtsmeren en wachten op de Koning Winter. Ik heb moeite me te laten overtuigen. Maar zo’n Wespendeskundige weet vast wel waar hij het over heeft. En hij klonk heel zeker van zijn zaak. En, misschien nog wel het meest overtuigende, hij adviseert ons GEEN 800 euro over te maken aan zijn Rentokil, maar dat lekker in onze zak te houden.

Dus we hebben het advies voorzichtig opgevolgd. Gaten dicht gesmeerd. De dag daarop nog een paar nog niet eerder ontdekte gaten dicht gesmeerd. En intussen houden we nauwkeurig bij hoeveel wespen we zien. Maar we slapen voorlopig voor de zekerheid toch nog steeds een verdiepinkje lager.

Over pestvogels en andere dieren

Mieke was een echte vogelaar. Voor dag en dauw stond ze op om met een groepje aficionados de natuur in te trekken. Ze zagen van alles, maar aan mij had ze geen goede luisteraar voor haar verhalen. Ik vond het volstrekt belachelijk om op te staan tegen de tijd dat een normale feestende tiener naar bed pleegt te gaan. En dan nog wel om dieren te bekijken die je sowieso wel om je heen ziet.

Nu heb ik natuurlijk spijt. Had ik maar beter opgelet als ze vertelde over het specifieke geluid van het een of ander onooglijk vogeltje. Want inmiddels wil ik daar wel alles over weten. Tammo en ik luisteren en kijken en zitten uren met onze neuzen in boeken en laptop om te determineren wat we gezien hebben. Inmiddels kunnen we de buizerd en de kiekendief uit elkaar houden, maar dan blijkt al snel dat dat onvoldoende is. Je hebt namelijk de gewone buizerd maar ook de ruigpootbuizerd. En bij de kiekendieven is het nog erger: er is een bruine kiekendief, een blauwe kiekendief en een grauwe kiekendief. En die kleurverschillen lijken het eenvoudig te maken maar het vrouwtje is van alle drie de soorten bruin, dus daar ga ja algauw de mist in.

En dat zijn dan nog de grote vogels. Vele malen erger wordt het met de kleine. Dat geluid dat doet denken aan twee steentjes die op elkaar worden geslagen, was dat nou de tapuit? Of toch de braamsluiper? En al die vogeltjes in de duinen? Het is wel heel gemakkelijk om die allemaal tot duinpieper te bestempelen. Soms zit er één bovenop een duindoorn. Hij laat zich heel goed zien. Alleen de zon. Je kijkt recht tegen de zon in en ziet dan alleen het silhouet en geen enkel kleurtje of tekening. Daarnaast heb je nog de vogeltjes die opvliegen zo gauw je ze gelokaliseerd hebt. Ik denk dat ze het erom doen. Dat ze gewoon met z’n allen hebben afgesproken mij een poets te bakken en steeds als ik bijna weet wie ik voor me heb ervoor te zorgen dat ik misgrijp. Pestvogels. Dat zijn het. Allemaal.

Het kan altijd nog erger. Zo hebben we hier de tuinfazant. Die kuiert genoegzaam rond het huis en komt af en toe wat drinken uit de waterbak. Zijn territorium beperkt zich niet uitsluitend tot onze tuin. Ik zie hem soms aan de overkant scharrelen. Ook komt hij in de tuin van de buren. Hoewel, dat denk ik. Want ik hoorde laatst een opgewonden stem van de buurvrouw roepen dat er een kalkoen door de tuin liep. ‘Zo Eeeeenig!’

Dat zijn dan de vogels, maar mijn interesse reikt verder. Ook planten en insecten kunnen me bekoren. Dat was tot voor kort net zo ingewikkeld als de vogels maar tegenwoordig heb ik een app die op basis van een foto met locatiegegevens vertelt wat ik gezien heb. Hartstikke handig

Ook in zee leven allerlei geinige beestjes. Vooral de heremietkreeftjes kunnen mij bekoren. Die hebben een zacht achterlijfje en om dat te beschermen steken ze het in een lege schelp. In slenken en de branding vind je er soms wel honderden.

Niet alle beestjes vind ik leuk. Soms lig ik lekker te drijven en te genieten van de golfjes als ik een steek voel. Ik word gebeten. Het is niet het soort beet, van hap slik en gauw weer weg, maar het lijkt er meer op of een beestje er lekker voor gaat zitten. Servetje op schoot en dan hap, en nog een hap. Haphaphap. Auw! Ik grijp naar het getroffen gebied. Dan heb ik een klein grauw diertje tussen mijn vingers. Het lijkt nog het meest op een kruising tussen een garnaal en een pissebed. Soms is het er eentje en als je die dan – met moeite want hij heeft een stevig schild- onschadelijk hebt gemaakt kan je gewoon verder zwemmen. Maar soms komen ze in hordes en blijf je ze van je af trekken zodat ik teleurgesteld afdruip. Ik ben zo benieuwd wat het voor diertje is. Ik google me suf, maar dan kom ik uit bij koppen als Hongerige zeeluizen eten van benen tiener bij Australisch strand. De gruwelijke beelden die bij dat soort artikelen horen zijn niet echt te vergelijken met het ongemak dat ik ervaar.

Nou had ik uit de grote collectie natuurgidsen van Mieke een boekje meegenomen dat Wat vind ik aan het strand heet. Er staan honderden items in van planten tot schelpen via krabben tot dolfijnen en zeehonden. De beschrijving is summier en de meeste plaatjes zwart-wit. Maar ik geloof dat ik het diertje gevonden heb. Tussen het wandelend geraamte en het hongerlijdertje zie ik hem staan:

Zo’n treffende naam zie je zelden.

Vorige Oudere items