De wet van de wenkbrauwen

Het is iets wat ik vaker gemerkt heb: zodra je je in een onderwerp verdiept, blijkt het interessanter en veelzijdiger dan je verwacht. Zo denk je best veel van wenkbrauwen te weten: ze zitten boven je ogen, ze houden regen en zweet uit je ogen, ze hebben een kleur en een vorm die je kunt beïnvloeden door make-up en epileren. En ze kunnen uitvallen.

Maar als ik bij de permanente make-up artieste zit blijkt deze kennis heel oppervlakkig. Zelfs over mijn eigen wenkbrauwen blijk ik niet veel te weten: de linker zit hoger dan de rechter. Dat heb ik in 50 jaar spiegelstaren nooit gemerkt. Gelukkig zit mijn linkeroog ook hoger dan de rechter. Daarnaast trek ik mijn linkerwenkbrauw hoger op dan de rechter. Dat had ik wel kunnen weten. Als klein Noomennaatje heb ik lang geoefend op het vragend optrekken van 1 wenkbrauw. Dat zat in hetzelfde rijtje als het optrekken van 1 mondhoek en het bewegen van je oren. Dat laatste is me overigens nooit gelukt. En mijn opgetrokken mondhoek zorgt voor een spottende, ietwat arrogante uitstraling die mij niet altijd direct geliefd maakt. Maar dat terzijde.

Gelukkig was de PMU-artieste niet van plan de asymmetrie weg te tatoeëren. Ik had verwacht dat ze met artistieke losse pols een fraai paar wenkbrauwen zou schetsen en die vervolgens in zou kerven. Maar daar vergiste ik me in. Ze begon met een soort flosdraad met zwarte krijt en een potlood verhoudingen in mijn gezicht aan te geven.

Er bestaan namelijk mathematische regels over waar een wenkbrauw begint, waar de top van de boog moet zitten en hoe ver het puntje van de wenkbrauw mag doorlopen. Deze wenkbrauwwetmatigheden verschillen per etniciteit. Bij het bepalen van de vorm maakte ze ook gebruik van een passerachtig instrument waarmee ze de ingetekende verhoudingen spiegelde naar de andere wenkbrauw. Mijn natuurlijke wenkbrauwen bleken zich behoorlijk te conformeren aan deze wetten al groeiden de puntjes wel langer door dan toegestaan.

Nadat de ideale vorm was ingetekend, kwam toch het artistieke talent van de PMU-specialiste naar voren: want toen ging ze bedenken hoe ze de wetten ging toepassen op mijn gezicht. Ik had aangegeven dat ik graag ‘natuurlijke’ wenkbrauwen wilde: niet wenkbrauwen die er uitzien alsof ze bepoederd zijn. En zeker geen dikke harige rupsen die zich ergens onderaan mijn voorhoofd zouden nestelen.

Eigenlijk is de wenkbrauw een soort visgraat of een veer: een middellijn met aan weerszijden schuine strepen. Met dat in gedachten begon de PMU-artieste haartje voor haartje mijn wenkbrauwen in te tekenen. Eerst met potlood en toen met een apparaatje waarmee met kleine naaldjes het pigment in de huid werd gebracht. Dat klinkt eenvoudig, maar niet elk lijntje ging even gemakkelijk. Soms moest de PMU-artieste acht keer dezelfde lijn tekenen voordat het pigment een beetje wilde blijven zitten. Ik voelde daar overigens weinig van. Het is een beetje te vergelijken met een scheermes over droge huid. Soms kreeg ik wel kippenvel. Ik vermoed dat dat de gebieden waren, waar ze steeds opnieuw overheen tatoeëerde.

Toen alle haartjes getekend waren, liet de PMU-artieste mij het resultaat zien. Ik was blij verrast, maar hier en daar vond ik het toch nog wat kalig of visgratig ogen. Daar wist ze wel wat op: zorgvuldig vulde ze de leemtes op met schaduw. Ik ging pas weg toen we allebei tevreden waren.

Voor en na

Ik ging ervanuit dat het behoorlijk zou gaan zwellen en met een beetje pech zelfs zou gaan ontsteken, maar dat gebeurde allemaal niet. Eigenlijk ging het boven verwachting goed. Geen korstjes, niks. Na een dag of vijf begon het een beetje te vervellen en dat was het dan zo’n beetje.

En de reacties? De grappigste was misschien wel de reactie van mijn lieve vriendin die – na lezing van mijn vorige blogje – zei dat ik helemaal niets aan mijn wenkbrauwen hoef te laten doen. Dat ze er prima uitzagen. En dat ik toen voorzichtig kon vertellen dat dat kwam doordat ik de behandeling al achter de rug had. Nou wil zij ook.

Maar de mooiste was misschien nog wel de reactie van mijn lief. Hij zei – enigszins opgelucht- ‘je hebt gewoon weer je oude wenkbrauwen terug’.

Stikjaloers op mijn wenkbrauwen? Neem contact op met Lotte Huting.

Het proefhartje

Op een dag werd ik wakker en realiseerde me dat een gedeelte van mijn wenkbrauwen verdwenen waren. Dat is vermoedelijk niet in die ene nacht gebeurd. Zulke dingen gaan geleidelijk. Maar het voelde alsof het ineens zo ver was. Het zag er wat merkwaardig uit. Aan de binnenkant, bij mijn neusrug, zaten er nog fraaie donkere haren, maar hoe meer ik naar opzij keek, hoe minder haar er overbleef, waardoor ik een soort aanhalingstekens boven mijn ogen had. Het haar dat er nog wel zat was donsachtig en bijna wit.

Zoals bij mij meestal het geval is, zal het wel de een of andere bijwerking zijn. Prednison is een goede kandidaat voor veranderingen in de beharing, hoewel ik geloof dat het vooral de schuld krijgt van het verkrijgen van snorren en baarden. De vitiligo is ook een goede zondebok. Die zorgt onder meer voor spierwitte wimperharen, maar die worden eerder dikker van structuur dan dunner.

Waar het ook door kwam, halve wenkbrauwen waren verdwenen en leken niet genegen terug te komen. Mijn schoonheidsspecialiste verfde de donsjes en de huid een beetje mee waardoor het gemis minder opviel. Maar de verf hield niet lang. Dus ging ik zelf in de weer met potloden en poeders. Nou zijn er hordes dames die elke dag wenkbrauwen op hun voorhoofd tekenen, dus erg zielig is het niet, maar blij werd ik er niet van. Ik keek nog eens in de spiegel en zag de lijntjes die op mijn bovenste oogleden zijn getatoeëerd. Dat heb ik ergens halverwege de jaren negentig van de vorige eeuw laten doen. Ik denk dat permanente make-up toen net in opkomst was. Ik zette dagelijks eyeliner, maar ik had nogal trillende handen (ook toen al waren dat bijwerkingen) waardoor het resultaat van mijn inspanning nogal wisselend was. Het idee was dat de lijntjes na een jaar of vijf zouden vervagen. Dat is niet erg gebeurd. Al zijn ze niet zo zwart meer als op de dag dat ze gezet werden.

Ook nu dacht ik dus aan permanente make-up. Ik geloof dat wenkbrauwen dertig jaar geleden nog niet echt een ding waren die je permanent liet zetten, maar inmiddels is de wenkbrauwentatoeëerbranche booming. Je kunt kiezen tussen ombre en 3D of een combinatie daarvan. De ene zorgt voor een subtiele schaduw, de ander tekent haartje voor haartje. En dan moet je nog bedenken bij wie je het laat doen. Een eindeloze sliert advertenties rolt over mijn scherm. Hoe te kiezen? Uiteindelijk kies ik voor gemak. Wie zit er dicht bij mij in de buurt? En wat is over diegene te vinden in positieve maar ook negatieve zin? Pas toen ik een afspraak gemaakt had sloeg de twijfel toe.

De vorige keer dat ik mijn gezicht liet tatoeëren begonnen mijn oogleden bij de eerste naaldenprik op te zwellen waardoor ik ze bijna niet meer open kreeg en het moeilijk was de juiste vorm in te kleuren. Het viel me reuze mee dat de zwelling relatief snel wegtrok en er geen verdere rare effecten optraden. Maar inmiddels was mijn lijf veranderd. Melanoom is een vorm van huidkanker die iets te maken heeft pigment. Het begint immers vaak met een moedervlek die zich vreemd gaat gedragen. De immuuntherapie die ik kreeg zorgde voor een auto-immuunreactie waarbij mijn afweersysteem niet alleen kankerpigmentcellen aanviel, maar op willekeurige plekken het pigment begon te elimineren. Hoe groot was eigenlijk de kans dat als je pigment in de huid stopt ook daar een reactie te verwachten is? Dat je prachtig getekende wenkbrauwen hebt, maar dat de hele huid eromheen bleek gevlekt wordt? Ik wist het niet.

De permanentemake-up-artieste wist het ook niet. We hadden een afspraak waarbij ik mijn dilemma’s toelichtte. Ze zou bij haar opleiding informeren of iemand daar ervaring had met deze specifieke situatie. Haar zorgvuldigheid gaf mij vertrouwen, maar zorgde er ook voor dat ik de risico’s niet zomaar kon wegwuiven. Terwijl ik wel steeds meer zin kreeg in opstaan met wenkbrauwen. De PMU-artieste kreeg antwoord van de opleiding: de verwachting was dat het goed zou gaan, maar ze suggereerden ook dat de behandelend arts mee kon denken.  

Ik vond het een beetje een ijdele – en dus gênante – vraag. Moest ik nu echt iemand die bezig is met leven en dood lastig vallen met mijn aanhalingstekens? Maar ja, niemand anders kon een bevredigend antwoord geven. En dus vroeg ik het aan de mooie oncologe. Het blijkt dat de meeste kankerlijers zich hier niet druk overmaken. Tenminste, ze had de vraag nog niet eerder gehoord en wist dus ook het antwoord niet. Ze zag wel hetzelfde vitiligorisico als ik. Ook dacht ze dat ik ‘gewoon’ allergisch zou kunnen reageren en ook dat leek haar niet handig. Ze raadde me aan een proefje te laten tekenen.

Maar waar zet je een proefwenkbrauw? Ik dacht eerst aan een paar extra haartjes in de haargrens. Bij mijn voorhoofd bijvoorbeeld, of bij mijn oor in mijn bakkebaard. Maar dat vond mijn lief niet zo’n goed idee. We zijn juist zo blij dat mijn gezicht nog aardig vitiligovrij is. Ik denk met angst en beven aan het mogelijke moment dat ik gezichtsbedekking moet gaan dragen als de zon op zijn felst is. Ik voel me nu al een soort zwetende mummie als ik met petje, lange mouwen, lange rokken, sokken, schoenen en handschoenen door de hittegolf dans.

Ik overleg met de PMU-artieste. Samen komen we tot de conclusie dat mijn arm misschien een goed alternatief biedt. Die huid is minstens zo kwetsbaar als de huid van mijn gezicht. Maar ik zit niet per se te wachten op (meer) donkere haren op mijn armen. En zo zette de PMU-artieste haar eerste tattoo. Ik had bedacht dat een hartje wel leuk zou zijn. Ik googlede een paar afbeeldingen en een ‘sierlijk hartje’ leek me wel wat. De PMU-artieste onderzocht mijn arm met kritische blik. Hij zit vol littekens. Ook moet je oppassen met de aderen. Als je daar de naalden in zet, wordt het een bloederige boel. Ze vond gelukkig een goede plek en tekende met een stift een grappig hartje. Toen we allebei tevreden waren over het ontwerp pakte ze de tatoeëerstift erbij.

Vervolgens begon het lange wachten. Er kwam geen allergische reactie. De wond genas. Er kwam geen vitiligo-reactie. Ik liet het hartje zien aan de mooie oncologe. Zij vond het er goed uitzien. Ze raadde me aan nog zes weken te wachten en pas daarna over te gaan tot het echte werk.

Binnenkort is het zover. Dan gaan we zien of de wenkbrauwen net zo mooi worden als het proefhartje.

Bottenpech

Ik zal ergens eind twintig/ begin dertig geweest zijn toen ik besloot dat ik het maar eens onder ogen moest zien. In Davos had ik geleerd dat prednisongebruik niet alleen zorgt voor ademvrijheid maar ook voor wat mindere verschijnselen. Zo krijgt de prednisonslikker onder meer een bolle toet, een flinterdun huidje, pijn in alle gewrichten en neemt de botdichtheid af. Dat laatste is een geniepigerd omdat je er niets van merkt totdat je botten zo broos geworden zijn dat ze bij de minste of geringste aanraking breken. Het verhaal van de man die armpje ging drukken en daarbij zijn arm in tweeën zag breken heeft op mij altijd indruk gemaakt.

Ik ging dus naar de huisarts en die legde me uit dat een meting van de bottigheid van de heup en de hand een goede indicatie is voor de staat van het gehele skelet. De uitslag viel mee. Mijn botten waren niet zo rot als ik gedacht had, hoewel de eerste tekenen van verval wel zichtbaar waren. Ik bevond me in een voorstadium van osteoporose. Dat stadium kon ik verlengen door goed op mijn kalkinname te letten.

Niet ontevreden over dit bericht ging ik naar huis en vanaf dat moment zorg ik voor voldoende kalkhoudend voedsel en slik ik regelmatig calciumtabletten bij.

Maar ik bleef natuurlijk ook prednison slikken. Het ene jaar meer dan het andere, maar altijd een gestage hoeveelheid. Dus toen ik begin dit jaar mijn arm brak en het een behoorlijk complexe breuk was, verbaasde mij dat niet. Natuurlijk had ik inmiddels dan toch osteoporose ontwikkeld. Mijn longarts schreef direct een recept uit. Alleen kalksupplementen voldeden niet langer. Het werd tijd om bisfosfonaten aan mijn medicijnenverzameling toe te voegen.

Voor de vorm deden we ook nog een botscan hoewel we de uitslag eigenlijk al kenden. In de afgelopen jaren was er wel wat veranderd in de manier van meten. Naar de hand werd niet meer gekeken. Nu werden de heup en de onderrug onder de loep genomen.

Wie schetst ons aller verbazing toen bleek dat er van bottenbroosheid geen sprake was? Niks osteoporose! Zelfs het voorstadium werd niet meer genoemd, maar dat kan te maken hebben met het feit dat ik inmiddels 50 ben geworden en dat dit dus een leeftijdsadequaat stadium is. Maar hoe zat het dan met die malle breuk? Waarbij ik twee botten brak door tijdens het lopen op de stoep te vallen? Botte pech! Niets te maken met de staat van mijn geraamte.

Toen ik echter zag dat ik de afgelopen maanden ook nog ergens een rib gebroken had zonder dat ik me daarvan bewust was, sloeg de twijfel toe. Nog meer pech? Of hebben de uitzaaiingen die in de botten zaten een kwetsbaarheid achtergelaten? Het leek de oncologisch verpleegkundige niet waarschijnlijk.

Maar vannacht dacht ik aan iets wat die huisarts twintig jaar geleden vertelde. Als je kalk slikt, maar onvoldoende vitamine D binnenkrijgt dan nemen je botten de kalk niet op, maar wordt een laagje kalk aan de buitenkant van het skelet gevormd. Op een foto ziet het er dan fantastisch uit, maar dat laagje doet niets voor de stevigheid. Het brokkelt gemakkelijk af. Zou ik dan misschien verborgen osteoporose hebben? Uiteindelijk maakt het niet veel uit. Ik blijf kalk en vitamine D innemen. En ik was toch al niet van plan vaker de gevallen vrouw uit te hangen.

Bij hoog en bij laag

Het kwam plotseling opzetten. Ik begon hevig te transpireren, werd misselijk, mijn buik krampte en de wereld draaide om me heen. Ik was me aan het klaarmaken om een wandeling te gaan maken maar dat behoorde niet meer tot de mogelijkheden. Ik ging eerst maar even op de bank zitten. Ik had wel een vermoeden waar het door kwam. Ik was de prednison aan het afbouwen en was nu op het moment dat de prednison naar beneden moest, maar hydrocortison juist omhoog. Ik had daar nog geen ervaring mee en ik begon te vermoeden dat ik misschien toch even had moeten doorvragen toen ik hoorde dat het ‘omslagpunt bij 7,5 mg prednison ligt’. Geen idee waarom ik op dat moment dacht dat dat ruim voldoende informatie was om de op- en afbouw ter hand te nemen.

Ik probeerde er achter te komen of deze symptomen horen bij een te hoog cortisolgehalte (Cushing) of juist een te laag (Addison). Dat was nog niet eenvoudig want duizelig hoort meer bij te laag en zweten juist weer meer bij te hoog. Zou het me gelukt zijn om zowel te laag als te hoog te zitten? Of was er meer aan de hand? Tuurlijk was er meer aan de hand. De prednison was ik gaan gebruiken omdat ik benauwd werd. Het hielp niet voldoende dus was ik ben ook bezig met een lekker brede antibioticakuur en omdat ik van die combinatie weer andere dingen krijg, slikte ik ook antischimmel en antivirale middelen. Als je alle bijwerkingen van die middelen onder elkaar zet, kan je ook stellen dat ik een heleboel van die potentiële bijwerkingen niet ervaar. Had best rotter gekund.

Na een uur leek het wat te kalmeren. Ik ben in dat uur zeker een kilo of wat afgevallen. Nog wat rillerig wandelde ik met mijn lief over het eiland. Ik bedacht dat een herhaling van deze zetten de volgende dag slecht uit zou komen omdat we dan op weg naar huis zouden gaan. Kwestie van spullen inpakken, huisje schoonmaken, boottocht en dan nog iets van anderhalf uur rijden. Allemaal geen activiteiten die zich goed laten combineren met krampen en duizelingen. Ik verhoogde dus de prednison weer terug naar de dosering van de dag ervoor en besloot een volgende poging thuis te doen.

Maar ook daar gaat het niet best. Ik zweet, duizel, kramp en ervaar een algehele malaise. Welke verhouding van prednison en hydrocortison ik ook slik. Tijdens mijn reguliere ommetje moet ik vier, vijf keer gaan zitten omdat ik volledig buiten adem ben. Dat is merkwaardig, want ik zit aan het eind van mijn prednison- en antibioticakuur. Het zou dus beter moeten gaan, maar waar ik in Terschelling nog redelijk kwiek door de duinen struinde, verlang ik in mijn eigen buurtje naar een rollator. Het heerlijk veilige idee dat je je eigen stoeltje bij je hebt. Dat gaat me toch echt een tikje te ver. Dus neem ik contact op met de endocrinoloog. Die krijg ik niet direct te pakken, maar ik boek een telefonisch consult voor de volgende dag.

In de tussentijd is het kankercheckdag dus ga ik naar het ziekenhuis en hoop ik dat ik niet het MRI-apparaat onderkots. Dat doe ik niet, maar ik laat wel een plasje Noomennazweet achter. Op weg naar huis word ik al gebeld. De uitslag van de CT is binnen en er is geen kanker te zien maar wel een longembolie. Een kleintje. Weinig schade. Ik weet niet wat ik hoor. Longembolie?! Daar heb ik 2019 (zie Bloedstollend) al kennis mee gemaakt. Het idee was toen dat het kwam door een nog niet eerder bekend geworden bijwerking van de doelgerichte therapie. Nu heb ik geen idee waar die stolling vandaan komt. Bovendien gebruik ik sindsdien bloedverdunners. Die zouden dit soort grappen moeten voorkomen. Het is wel zo dat ik ergens in 2021 bericht kreeg van mijn apotheek dat het gebruikelijk is de dosering te verlagen als er gedurende twee jaar geen stolsels zijn verschenen. Ik heb dat toen overlegd met de mooie oncoloog en hoewel ze die richtlijn niet kende leek het haar best een goed idee. Bij nader inzien toch niet zo’n goed plan.

Naast de schrik over de longembolie voel ik ook opluchting. Misschien dat ik daarom steeds door mijn hoeven lijk te zakken. Ik heb gewoon zuurstoftekort. En daar helpen prednison en antibiotica niet tegen. Waarschijnlijk komt het zweten enzo van teveel cortisol en het duizelen van te weinig zuurstof. Heb ik toch een aardige diagnose voor mezelf bedacht.

Maar de endocrinoloog ziet het anders. Zij vindt dat het vooral klinkt als te snel afbouwen van prednison. Dat ging vroeger meestal wel goed, maar toen maakte ik zelf nog cortisol aan. We spreken een veel geleidelijker afbouwschema af. Ook goed. Ik zal blij zijn als ik op weg naar bed niet halverwege even moet gaan liggen voordat ik ook de tweede trap aandurf.

De longarts is het eens met de endocrinoloog . Het longembolietje heeft zo weinig schade aangericht dat je het eigenlijk niet eens kunt merken. Benauwd kan je er in elk geval niet van worden. Bij ieder ander zou je een dergelijke toevalsbevinding niet eens behandelen. Met mijn voorgeschiedenis doen we dat natuurlijk wel en verhogen we de antistollingsmedicatie.

Dan zie ik nog iets merkwaardigs in de scanuitslag: een herstelde ribfractuur. Huh? Ik vraag de mooie oncoloog of we wel zeker weten dat we naar mijn scan zitten te kijken. Een embolie en een fractuur die er drie maanden geleden niet waren? Ja hoor, ik heb blijkbaar ook nog ergens tussendoor mijn rib gebroken. De mooie oncoloog denkt dat het geweest moet zijn tijdens de val waarbij ik mijn arm ook zo knap gebroken heb. Dat is gek, want dat was in maart en ik ben daarna nog door de kanker-APK gekomen. De mooie oncoloog legt me uit dat een recente breuk vaak niet te zien is, als het bot tenminste op zijn plek blijft zitten. Pas als de breuk herstelt, zie je een verdikking op de CT. Ok. Weten we dat ook weer. Wel raar dat ik mijn linkerknie en linkerarm beschadigd heb terwijl de kapotte rib rechts zit, maar dat zullen we maar weer scharen onder de noemer het wonderlijke lichaam van de Annemoon.

Goed. Geen zuurstoftekort. Rustiger afbouwschema. Dan moet het allemaal goed komen. Maar dat doet het niet. In elk geval niet snel. Terwijl buiten het kwik boven de dertig graden komt, lig ik te rillen onder een dekentje op de bank. Ik heb het koud. Ik heb het warm. Ik heb buikpijn. Misselijk. Diarree. Ik blijf duizelig. En ik raak steeds meer uitgeput.

Het duurt nog een week voordat ik een ingeving heb. Het komt omdat de pudenduspijn zich er ook mee gaat bemoeien. Die was een beetje naar de achtergrond gedrongen. Eerst door de benauwdheid, de longontsteking en daarna door de bijwerkingen van de middelen waarmee ik die te lijf ben gegaan. Maar in de basis hebben we natuurlijk ook altijd die chronische pijn. De middelen die ik daartegen gebruik zorgen er al een jaar of tien voor dat ik niet meer auto rijd. Ik zie namelijk vaak dubbel en dat is best onhandig in het verkeer. Maar de laatste tijd voel ik me steeds meer beperkt door dit niet-auto rijden. Ik ben een blije OV-gebruiker maar sinds bussen en treinen dienst doen als virusverzamelplaatsen voel ik me er minder prettig. En vaak kost het overstappen meer tijd en vooral energie dan ik heb. Tammo rijdt me met liefde waar ik maar naartoe moet, maar ik houd niet van de afhankelijkheid die dat met zich mee brengt en ik voel me bezwaard.

Toen dacht ik terug aan de begintijd van de pudendus. Toen we zochten naar de juiste combinatie van pijnstillers. Uitgangspunten waren toen: ik wil kunnen werken en (dus) vermijden we opiaten. Inmiddels werk ik nog 12 uur en slik ik alweer jaren methadon tegen de pijn die de kankeroperatie heeft achtergelaten. Misschien betekent dat dat ik het middel dat dubbelzicht veroorzaakt niet meer nodig heb. Ik besprak het met mijn pijn-anesthesioloog. En zo ben ik de afgelopen weken voorzichtig de pregabaline (lyrica) gaan afbouwen. En de vrijdag dat ik de eerste ‘aanval’ kreeg, slikte ik het laatste tablet. Ik pak het farmacotherapeutisch kompas erbij en ik lees: ‘Ook kunnen na het stoppen ontwenningsverschijnselen optreden, zoals slapeloosheid, hoofdpijn, misselijkheid, diarree, griepachtige verschijnselen, nervositeit, depressiviteit, pijn, zweten en duizeligheid. ‘

Als dat niet het prototype van een aha-erlebnis is! Ik ben gewoon lekker aan het afkicken! Het grote voordeel daarvan is dat het vanzelf voorbij gaat. Ben wel benieuwd hoelang dat duurt.

Zielepoot

Het zal vermoedelijk aan mij liggen, maar ik had het beeld dat je met een gebroken arm na een week of twee wel weer soort van normaal zou kunnen functioneren. Tuurlijk, tikken met vier vingers gaat langzamer dan met tien, maar veel van mijn collega’s beschikken niet over een typediploma en worden toch voor vol aangezien. Dat optimistische beeld over het hebben van een gebroken arm heb ik nogal moeten bijstellen.

Na mijn avonturen tussen de spoedeisende hulp en de operatiekamer heb ik mezelf een paar dagen all-inclusive UMC Utrecht cadeau gedaan. Maar eenmaal thuis kwam ik er achter hoe handig het is om twee handen te hebben en hoe onthand je bent met slechts één functionerend exemplaar.

Meewarig kijk ik naar mijn arm en denk aan Harry Potter. Ik geloof dat het in het tweede boek is dat een betoverde Bludger de arm van Harry verbrijzelt. Een toegeschoten leraar met matig talent tovert alle botten uit zijn arm. De arm is niet langer gebroken maar hangt als een rubberen kip nutteloos aan zijn schouder. Verschil tussen Harry en mij is dat bij hem de pijn bij toverslag weg was en bij mij niet bepaald. Mijn arm is gezwollen en mijn hand ziet eruit als een opgeblazen latex handschoen.

Voor de meest banale handelingen heb je twee handen nodig: je haar in een staart? Kansloos. BH vasthaken? Vergeet het maar. Jas dichtritsen? Jammer! Als je verpakkingen wil openscheuren of potten en flessen wil opendraaien heb je een tegenwicht nodig. Inmiddels weet ik precies waar ik mijn mond en mijn voeten voor kan inzetten, maar er blijven genoeg dingen over waarbij ik toch echt hulp moet vragen. En dan heb ik last van Maria Montessori en haar credo “Leer mij het zelf te doen”. Ik had beter een vervolgopleiding kunnen kiezen met een motto als: “Leer mij hulp te vragen en het met gratie te aanvaarden.” Al geloof ik dat ik dan niet verder dan de basisschool zou zijn gekomen.

Maar goed. Dit is een tijdelijke situatie. Er zijn mensen die levenslang één hand hebben en zich goed weten te redden. Al heb ik me tot mijn schaamte niet eerder gerealiseerd hoe waanzinnig beperkt je dan bent.

Nee, ik ben meer verbaasd over de rest van het lijf. Uitgeput ben ik. Blijkbaar is mijn lichaam de hele dag druk bezig met bot maken. En huid. Want mijn arm lijkt wel een slang zo vaak als die vervelt. Af en toe log ik in bij mijn werk om mezelf het gevoel te geven dat ik best nog wel wat nuttigs kan doen, maar na anderhalf uur wazig staren naar mailtjes of pro forma aansluiten bij een of ander overleg moet ik toch echt weer even gaan liggen.

En zo gebeurde het afgelopen week dat ik me erop betrapte dat ik mezelf bij tijd en wijle best zielig vond. Niet vaak gelukkig, maar toch. Weinig Annemonesque. Dat moet geen gewoonte worden.

Spoed, spoediger, spoedigst of: alleen op de wereld met fentanyl

Het was internationale vrouwendag. De zon scheen en ik was klaar met werken. Ik liep mijn ommetje door de buurt. Ik was opgewekt. Ik had een mooie #bloemvandedag gefotografeerd. Het was niet echt zo dat ik liep te dansen maar er was een vrolijke hups in mijn stap. Zorgde die vrolijke hups ervoor dat ik mijn evenwicht verloor? Of was het een scheve stoeptegel? Of had ik in al mijn blijheid een duizeling? Ik zette nog een paar passen in de hoop mezelf te corrigeren maar ik was kansloos. Ik viel voorover op de stoep. Een koppel dat me tegemoet kwam raapte mijn bril op en informeerde of het wel ging. Ik glimlachte bemoedigend en zei dat het prima ging. Ze liepen door.

Ik loog natuurlijk. Want ik wist direct dat ik mijn arm gebroken had. Niet een haarlijnfractuur of zo, maar volledig door. Ik bleef even zitten om te bedenken wat een mens doet op het moment dat ze haar arm gebroken heeft. Waarschijnlijk iets met een arts of een ziekenhuis. Hoe ik bij een ziekenhuis moest komen kon ik zo gauw niet verzinnen, maar de huisarts zat in de buurt. Eerst maar eens daar naartoe wandelen. Ik hield met mijn goede hand mijn gebroken hand vast. Lopen ging aardig maar ik was wel wat licht in mijn hoofd. Hoe was het ook alweer? Mieke had als tiener haar pols gebroken en het had twee weken geduurd voordat haar ouders daarachter waren gekomen. Ze had hen niet willen lastig vallen. Tot nu toe had ik nooit getwijfeld aan het waarheidsgehalte van dit verhaal, maar nu ik ervaring begin te krijgen met het rondlopen met een gebroken arm groeit mijn twijfel. Ik begin uit te zien naar een bankje.

Ik vind een bankje bij een bushalte. Ik heb nog geen honderd meter gelopen dus ik voel dat ik op zoek moet naar een plan-B. Ik ga mijn man bellen. Nou wil het geval dat mijn telefoon in de jaszak aan de gebroken kant zit. Ineens zie ik de voordelen van het gebruik van je stem bij de opdrachten aan de telefoon maar die mogelijkheid heb ik altijd geërgerd terzijde geschoven. Ik leg mijn losse hand in mijn schoot, klem mijn kaken op elkaar en friemel mijn telefoon uit de zak. Het lukt me om daarbij niet flauw te vallen.

Ik bel mijn lief. Ik zoek naar een luchtige toon maar ik klink geloof ik vooral vlak. Ik leg hem uit dat ik gevallen ben, mijn arm daarbij gebroken heb en niet zo goed weet wat ik moet doen. Hij weet dat wel: ik moet blijven zitten waar ik zit en wachten op hem. Hij springt direct in de auto.

Nadat ik heb opgehangen vind ik het direct wat kinderachtig van mezelf. Heb ik Tammo weer laten schrikken. Als ik gewoon mezelf even streng toespreek kan ik heus wel naar de huisarts lopen. Ik was natuurlijk vooral geschrokken. Maar nu moet ik wel blijven zitten. Anders schrikt Tammo zich helemaal een hoedje. Terwijl ik zit te wachten golft de misselijkheid door me heen. Gelukkig heb ik nog de tegenwoordigheid van geest om mijn trouwring af te doen.

Ik ben altijd blij mijn man te zien, maar nu krijg ik een brok in mijn keel als hij voor komt rijden. Het zitten in een auto geeft direct weer nieuwe uitdagingen: wat doe je met de gordel? Hoe verdraag je bochten en drempels? Met een luid piepend gordel-alarm zijn we binnen een paar minuten bij de huisarts.

Voorzichtig pelt de huisarts mijn jas van mijn arm. Een blik is voldoende om vast te stellen dat mijn diagnose juist was. Ze belt meteen met mijn lievelingsziekenhuis terwijl ik uit alle macht probeer de boel niet onder te kotsen. De dienstdoende chirurg pruttelt nog wat omdat ze eigenlijk veel te academisch zijn voor een simpele onderarmfractuur, maar mijn huisarts weet haar met een paar goedgeplaatste moeilijke woorden (bijnierschorsinsufficiëntie, gemetastaseerd melanoom, therapieresistent ernstig astma) te overtuigen. Ik ben welkom.

We melden ons bij de Spoedeisende Hulp (SEH). Daar worden mijn kleren kapot geknipt en wordt de breuk gefotografeerd. Dat ik daarbij niet flauw val is een klein wonder, want hoe je een arm moet draaien die buiten je invloedssfeer lijkt te zijn geplaatst is mij een raadsel. De foto laat zien wat we inmiddels allemaal al wisten: beide botten in mijn linker onderarm waren volledig doorgebroken. Ik moet geopereerd worden. En dan ineens krijgen we haast. Er is om 19.00 uur een plek vrij in de OK. We (of eerder: ze) besluiten de arm niet te verbinden, geen pijnstillers te geven, me niet over te laten klimmen naar een bed maar me -hop!- op de SEH-brancard snel naar de OK te brengen. Ik geef Tammo een kus en daar gaan we dan.

Maar eenmaal in de holding (geen idee waarom, maar het voorportaal van de OK heet zo) bleek al gauw dat er een spoedgeval (nog spoederig gevallerig) tussen was gekomen. Mijn brancard werd een beetje achteraf neergezet. Was ik wel blij om. Hoefde ik niet te liggen luisteren naar het wel en vooral wee van de mensen die voor mij geopereerd werden. Daar lag ik dan. Ik zakte langzaam steeds een beetje verder naar onderuit. Ik hield me met mijn rechterarm zo’n beetje vast aan het hekwerk om de brancard. Dat kon niet voorkomen dat mijn voeten steeds verder buitenboord gleden. Ze werden koud. Ik werd koud. De verwarmde dekens die ik van de SEH had meegekregen koelden af. Gelukkig fungeerde mijn linkerarm als een soort straalkacheltje. Af en toe kwam iemand langs om te vertellen dat het nog wat langer ging duren.

Om een uur of negen werd er weer iemand met meer spoed binnen gebracht. Omdat dat weer een uur of twee uitstel voor mij zou opleveren, werd besloten dat ik naar de Afdeling gebracht zou worden. Daar kon ik comfortabeler wachten op mijn beurt. Ik vroeg of er dan misschien toch iets moest met de arm, qua verbinden of een spalkje. Dat was immers het plan voordat ik met spoed naar de holding gebracht werd. Dat was een goed idee. Alleen lag dat niet in de expertise van de holding-medewerkers. Eerst leek het erop dat ik weer terug naar de SEH moest, maar uiteindelijk werd besloten dat verpleegkundigen van de SEH naar de holding zouden komen. Alleen die konden niet zomaar hun afdeling verlaten. Daarvoor moest er even niets spoedeisends te doen zijn.

Het zal nog zeker een half uur geduurd hebben, maar daar waren ze dan: G en niet-G (tot mijn schaamte heb ik haar naam niet onthouden) van de SEH. G had een grote emmer aan haar arm hangen. De schrik sloeg mij om het hart. Emmer = water = gipsen = AU! Ik dacht meer iets met een pleister en misschien een stokje die je om mijn onderarm kon binden zodat ik die akelig knik niet steeds hoefde te voelen.
Dit ging niet pijnloos worden. Zo dachten de dames van de SEH er ook over. Nadat ze er schande van spraken dat ik er nog steeds zo bij lag wilden ze weten wat voor pijnstilling ik gekregen had. Bij de huisarts had ik twee paracetamol gekregen. Dat was het eigenlijk wel. G en niet-G keken elkaar aan en toen marcheerde G naar de dichtstbijzijnde holdingmedewerker om verhaal te halen. Deze mevrouw geeft geen pijn aan, maar je hebt haar arm toch wel gezien? Ze ligt hier toch niet voor de grap!

Terwijl G haar woedende blik richtte op de mevrouw van de holding, bracht niet-G mij aan het huilen. Ik weet niet eens meer wat ze deed of tegen me zei maar wel dat de tranen over mijn wangen biggelden en dat ik zei dat ze niet lief tegen mij moest gaan zitten doen, omdat ik daar niet tegen kan. Intussen hadden G en K (van de holding) zich bij ons gevoegd. G raasde nog even door: We kunnen niet gaan spalken zonder pijnstilling. Heb je hier fentanyl? We hebben fentanyl nodig. Maar in de holding hadden ze geen fentanyl. Wel remifentanyl. Wat is het verschil? Werkt het net zo snel? wilde G weten. Dat leek me het moment om me met het gesprek te bemoeien. Ik dacht aan de roman van Hector Malot, maar ik was bang dat niet iedereen die referentie zou herkennen. Ik stelde dus dat re-mi-fentanyl de muzikale variant was en dat patiënten er waarschijnlijk van gingen zingen. Maar ik had hen onderschat want K zei meteen: O, ik denk bij Remi juist altijd aan ‘Alleen op de Wereld’.

G liet zich door al die verwijzingen niet van de wijs brengen. Zij ging zelf terug naar de SEH om een spuit fentanyl te halen. Niet-G probeerde me intussen voor te bereiden op wat zou gaan komen. Spalken is eigenlijk gipsen maar dan alleen aan de kant waar de wond niet zit. Het lastigste (lees: pijnlijkste) was om de gipskous om de arm heen te krijgen. Het leek haar het beste om daarbij de arm over de rand van de brancard te laten bungelen. Dat leek mij een heel slecht idee. Ik had namelijk het vermoeden dat als ik dat deed de laatste reepjes weefsel waarmee mijn hand nog aan mijn arm vast zat, zouden scheuren en mijn hand op de grond zou vallen.

Fentanyl is goed spul. Het werkt snel. Het is niet zo dat het spalken – waarbij mijn hand overigens gewoon aan mijn pols vast bleef zitten – geen pijn deed, maar het was best te doen. Na afloop tilden de ladies mij met hun drieën een echt bed in. Voordat ze vertrokken fluisterde niet-G me in mijn oor: Ik ga nog wat liefs zeggen: je moet gewoon zeggen dat je pijn hebt. Daar zijn we voor. Pijn lijden is niet alleen niet nodig. Het is ook nog eens nergens goed voor. Ze gaf me een bemoedigend kneepje in mijn schouder en liet me over aan de zorgen van K.

En die zorgen waren goed. K had besloten dat ik nog even niet naar de Afdeling zou gaan. Ze ging me eerst een morfinepomp geven. Daarmee hoefde ik helemaal niet aan te geven of ik pijn had. Ik kon hem zelf bedienen. Maar ze wilde eerst zelf zorgen dat de morfinespiegel hoog genoeg was. Anders zou de klap groot zijn als de fentanyl uitgewerkt zou zijn. Want het werkt snel, maar ook kort. En we gingen samen Tammo bellen. Want die verwachtte inmiddels een telefoontje met het bericht dat de operatie voorbij was, terwijl er nog niet eens sprake van een begin was.

Van mij hoefde dat gezeul naar de Afdeling helemaal niet. Nu ik op een normaal bed lag en ik zelf iedere zeven minuten mezelf een beetje morfine kon toedienen lag ik daar best. Helemaal nu K en ik vriendinnen geworden waren. Het enige goede van de Afdeling wat ik kon bedenken was dat ik hoopte dat ik daar Beer in mijn armen kon sluiten. Tammo had intussen spullen voor mij verzameld en naar het ziekenhuis gebracht. Hij zou vast Beer niet vergeten zijn. Toen ik dan toch echt door de Afdeling werd opgehaald legde K deze dr Beer bij mijn goede hand in het bed.

Dr. Beer

Het geluk was niet met mij die nacht. Ik was om een uur of elf op de Afdeling. Rond een uur of één leek er plek te zijn in OK-schema en werd ik weer naar de holding gebracht. K was daar inmiddels niet meer. Rond half drie ging ik onverrichterzake weer terug naar de afdeling. Weer was er iemand met nog minder geluk dan ik die met spoed geopereerd moest. In de holding werd ik intussen de Jojo genoemd.

Ik begon intussen te lobbyen voor een uitstel tot de volgende ochtend. Als iedereen weer fris en fruitig was. Het leek mij niet zo’n goed plan dat de chirurg die om 19.00 uur met geslepen messen klaar stond mij te opereren al die tijd in andere mensen aan het snijden was geweest en dan uitgeput aan het einde van zijn shift ook nog eens mijn arm moest oplappen. Maar ik werd gerustgesteld: de beperking in het OK-schema hangt samen met de beschikbaarheid van het anesthesiologisch personeel. Zij draaien de hele nacht OK-dienst met steeds één extra team paraat voor de aller- spoedigste spoed. Mijn chirurg lag gewoon te slapen en was ook opgeroepen toen ik aan de beurt leek. Ik wenste hem welterusten en daar ging ik weer, met bed en al, door de verlaten gangen van het ziekenhuis.

Ik weet niet hoeveel keer in dit geval scheepsrecht is, maar uiteindelijk ging ik om een uur of vijf ’s ochtends onder het mes.

De grote broer van Sara

Toen ik nog een klein Noomennaatje was, keek ik enorm op tegen mijn grote broer. Hij leerde mij hoe de wereld in elkaar zat. Ik geloofde alles wat hij vertelde. En hij vertelde graag. Over trollen en kabouters. Over knierften die wonen tussen de wortels van grote bomen. Over Madame du Bonbon die van adel was en vanzelfsprekend veel van chocola hield.

Op een avond had hij zo’n eng verhaal verteld dat ik weigerde naar bed te gaan. Ik was ervan overtuigd dat enge monsters me zouden bespringen zodra ik mijn ogen zou dicht doen. Mijn ouders dreigden met snoepvrije dagen en het inhouden van zakgeld, maar mijn angst was groter dan mijn hebzucht. Ik was onvermurwbaar. Er zat maar één ding op. Mijn grote broer verzon een geruststellend verhaal over de gordijndieren met hun beschermende krachten. Als je de gordijnen sluit, zorgen zij met hun magische schilden ervoor dat er geen griezel binnenkomt. Ik had gordijnen van Dick Bruna dus het kostte heel wat overredingskracht om mij te doen geloven dat die lieve Nijn en haar vriendjes partij waren voor tegen de gruwelen van de nacht. Maar het lukte.

Toen ik ouder werd, leerde mijn grote broer me welke muziek wel of niet goed was. Dat was wel nodig, want als het aan mij lag draaide ik niets anders dan Tracey Ullman, Luv’ of the Dolly Dots,. Weer wat later liet ik mijn geliefden door hem keuren. Dat ging niet heel bewust, maar als mijn broer erg negatief sprak over mijn nieuwste vlam dan ging het binnen de kortste keren uit.

Je zou zeggen dat zoiets overgaat als je volwassen wordt. Dat je leert op je eigen oordeel te vertrouwen. Maar sommige patronen zijn diep ingesleten dus ik mag van geluk spreken dat mijn grote broer mijn man goed heeft gekeurd.

In 2019 werd mijn grote broer 50. Op zo’n dag kan je het niet laten om de tafel rond te kijken om te bezien wie de volgende is. Ik ben de jongste en was dus de enige van onze generatie aan tafel die nog niet die respectabele leeftijd bereikt had. Mijn broer wees dus naar mij. Hij verzekerde me dat hij de fanfare zou laten uitrukken. En natuurlijk een huizenhoge opblaasbare Sara in de tuin zou regelen.

Maar in april 2019 wist ik dat de doelgerichte therapie gefaald had. Dat de kakabouters zich vanuit mijn hals verspreid hadden naar mijn lever, mijn hersenen, mijn skelet. Eigenlijk overal waar de radiologen keken vonden ze uitzaaiingen. We gingen natuurlijk nog opereren maar de term palliatief was al gevallen.

Mijn grote broer wist dat natuurlijk allemaal ook. Maar hij bleef overtuigd dat ik de vijftig halen zou. Of tenminste: hij hield dat stug vol. En bij elke goede uitslag herhaalde hij zijn voorspelling.

Ik had kunnen weten dat hij gelijk zou krijgen. Net als met de magische krachten van de gordijndieren. Want ondanks kakabouters, corona-angst en cortisolgebrek is het over een paar uur zover.

Ik ga Sara ontmoeten.

Het hup-hormoon

Ik schrijf vaak over mijn veeleisende lichaam, maar eigenlijk is dat niet helemaal terecht. Als er iemand binnen de school vissen die samen Noomenna vormen veeleisend is, dan is het wel De Geest. Die wil altijd dingen waar het lijf helemaal de kracht niet voor heeft. Zo is daar de ijzeren regel dat er dagelijks minimaal zesduizend stappen gezet moeten worden. Het lichaam heeft daar niet altijd zin in. Dat wil liever een beetje op de bank hangen. Kopje thee erbij. Boekje lezen. Podcastje luisteren. De Geest ziet daar heus wel de meerwaarde van in. Die heeft ook niet altijd zin om te lopen. Zeker niet als het regent.

Maar zelfs als lichaam en geest het eens zijn en ze gezamenlijk overduidelijk kiezen voor lamlendigheid, dan nog gebeurt dat niet. Dan volgt namelijk de actie die we “Even Huppen” noemen. Daarbij wordt het Zelf streng toegesproken. Wordt er gerefereerd aan jongens van Jan de Witt, mannen van Stavast en andere helden. ’s Avonds een vent is ’s ochtends een vent en het is geen excuus dat je op geen enkel moment van de dag een vent bent. Als dat niet werkt, wordt geweld niet geschuwd. Aan de haren of de laarzenlussen (bootstraps) wordt het Zelf de bank af getrokken en de deur uitgeschopt. Dat aanstellerig gedoe, daar doet een dame niet aan.

Nou schijnt er in het bijnierschors een hormoon gemaakt te worden dat bedoeld is om in actie te komen. Ik vermoed dat ik daar vrij veel van heb. Laat nou precies daar enige weken geleden twijfel over zijn ontstaan.

Omdat het moeilijk te voorspellen is waar de kakabouters zich een volgende keer zullen manifesteren drukt de mooie oncologe me op het hart altijd alert te zijn. Alle lichamelijke veranderingen die twee weken of langer aanhouden moet ik melden. Het kan immers betekenen dat er ergens iets groeit. het duurt echter tot ik een week of vijf misselijk ben voor ik me met een e-consult bij de mooie oncologe meld. Er zijn een heleboel redenen te bedenken waarom ik misselijk ben. Het begint tijdens een kuurtje. Dan is de oorzaak duidelijk. Na die kuur volgt een andere kuur. Kan je ook misselijk van worden. Dan wissel ik tijdelijk de methadon in voor morfine. Kan je ook misselijk van worden. Als ik dan eindelijk weer mijn gewone samenstelling medicijnen slik en toch misselijk blijf, besluit ik te vragen of ik een extra keertje bloed mag laten prikken.

Dat mag. Natuurlijk. De uitslag is goed. Alle tumormarkers staan op groen. Het enige is dat ik een wel heel erg laag cortisolgehalte heb. Een stuk of honderd keer lager dan normaal. Het is niet de eerste keer dat het zo laag is, maar de mooie oncologe wil toch voor de zekerheid overleggen met een endocrinoloog, een klierendokter. Die vermoedt dat ik helemaal geen cortisol meer aanmaak en nodigt me uit op de poli.

Daar word ik niet blij van. Ik heb me even ingelezen in wat het betekent om de ziekte van Addison (zo heet het als je geen cortisol meer aanmaakt) te hebben, maar dat is niet iets wat je wil. Je moet dan een inschatting maken hoe enerverend je dag zal worden en op basis daarvan cortisol slikken. Dat lijkt me een hele toestand. Ik weet meestal pas achteraf dat ik onder spanning gestaan heb. Daarnaast blijft mijn idee dat ik vooral teveel cortisol heb. De grote hoeveelheden prednison die ik naar binnen werk leiden eerder tot het tegengestelde van Addison: Nosidda, Nee. Flauw grapje. Dat is het syndroom van Cushing. Dat is te herkennen aan een volle maansgezicht (check), gewichtstoename (check), vetopstapeling rond de buik (check), dunnere huid met veel blauwe plekken (check), striae (check). Ik kan nog wel even doorgaan met mijn checklijstje met symptomen bij een teveel aan cortisol, mijn bloed laat toch echt een fors tekort zien.

De endocrinoloog is (alweer) een leuke dokter. Ze vertelt me over het stresshormoon cortisol en dat ze die benaming niet precies genoeg vindt. Het gaat om het hormoon dat zorgt dat je in fight-or-flight-situaties tot actie overgaat, maar ook dat je lichaam goed reageert bij ziekte. Mijn term huphormoon vindt ze goed gevonden. Gelukkig maakt zij zich niet zoveel zorgen om mijn lage cortisolgehalte. Het lijkt haar best leuk om mij als patiënt te hebben, al was het maar omdat we op dezelfde dag jarig zijn, maar ze vraagt zich af of het noodzakelijk is. Ze is het helemaal met me eens dat ik op de meeste dagen in het jaar door het slikken van prednison teveel cortisol in mijn bloed heb. Dat is echter precies de reden dat mijn bijnieren lui zijn geworden. Die denken ook dat ze steeds maar voor niks klaar staan met hun cortisolaanmaakvermogen. Aldoor slikt dit cortisol-rupsjenooitgenoeg extra. Als mijn bijnieren niet alleen lui zijn, maar zelfs helemaal geen cortisol meer aanmaken, kan dat een probleem zijn op die dagen dat ik geen prednison slik. Dus we gaan testen of ze het nog doen. Tot die tijd moet ik maar vertrouwen op mijn eigen hupvermogen. Met of zonder hulp van bijnieren.

Rouwbestrijding

Ze zijn niet echt opvallend. Af en toe vliegt er eentje langs je scherm. Je wappert wat met je hand. Soms krijg je hem dan te pakken. Maar als het meer dan af en toe wordt, kijk je beter. Het zijn hele kleine vliegjes. De fruitvliegjes die me ’s zomers tot waanzin drijven zijn reuzen vergeleken bij deze exemplaren. Waren ze er altijd al? Vallen ze meer op nu ik hele dagen naar schermen tuur waarop ze zo lekker zichtbaar worden? Ik denk van niet. Maar als ik dan toch naar het scherm zit te staren, kan ik net zo goed de toverkrachten van het ding inzetten. Met een paar goed gekozen zoektermen kom ik tot de conclusie dat ik vermoedelijk te maken heb met rouwvliegjes. Ze wonen in mijn planten.

Rouwvliegjes? Wie verzint zo’n naam? Ik kan het niet laten de naam op mezelf te betrekken. Rouw ik? Als ik me goed heb laten informeren is rouw een noodzakelijk onderdeel van acceptatie. Het is het stuk waarin ik het minst bedreven ben. Rouwen om het lichaam dat je niet langer hebt? Is dat niet gewoon de kunst van het ouder worden? Blijf je krampachtig doen of je twintig bent? Besluit je dat je nu middelbaar bent en schud je meewarig je hoofd over de jeugd van tegenwoordig? Of bewandel je de gulden middenweg? Het is niet eenvoudig om de staat van Hestia te bereiken.

Ik kies maar weer voor daadkracht. Ik bestel 5 miljoen aaltjes die ik zorgvuldig verdeel over alle planten. De komende tijd zullen ze alle rouwlarven infiltreren en van binnenuit vernietigen. De rouw om mijn verloren gezondheid laat zich minder eenvoudig verdrijven. Ik weet niet waar ik aaltjes kan bestellen die de pijn in mijn hart kunnen oppeuzelen. Maar ik ben er wel achter gekomen dat rouwvliegjes ook bekend staan onder de naam dondervliegjes. Daar kan ik meer mee dan met rouw. Als ik nu eens als de bliksem uitgerouwd ben. Dan kan ik als de donder accepteren. Waterdicht plan.

Beeldig

Accepteren. Dat is dus wat ik moet doen. Ik neem me voor dat eens even goed aan te pakken. Ik ga intensief accepteren. Ik heb alleen geen idee hoe een mens dat doet. Ik krijg steeds meer het idee dat dit nou typisch niet iets is wat je actief kan gaan zitten doen. Het zal wel iets van een proces zijn.

Omdat ik niet weet hoe het proces werkt, probeer ik vast het doel te formuleren. Misschien moet ik een acceptatiefeest houden. En als dat voorbij is, dan heb ik het geaccepteerd. In deze tijden van omikron is het houden van een feestje slechts voorbehouden aan prinsessen, dus ik verzin wat anders. Iets symbolisch. Iets tastbaars.

Als ik nou eens een beeld koop dat symbool staat voor de nieuwe situatie? Een dikke dansende dame misschien? Of een Nana? Dat lijkt me echter wat overdreven vrolijk, want het is duidelijk dat ik met frisse tegenzin de situatie omarm. Ik google me suf maar weet eigenlijk niet goed op welke termen ik zoeken moet. Ik ontdek dat er een heleboel lelijke beelden te krijgen zijn. Of, lelijk is het woord niet. Zielloos, goedkoop. Of ik heb misschien een dure smaak.

Misschien moet ik beginnen bij een kunstenaar vinden. Ik kom al snel tot de conclusie dat die ontbreken in mijn kennissenkring. Ik begin rond te vragen.

[Natuurlijk realiseer ik me dat ik veel energie in dit gedoe steek en al die tijd heel erg niet bezig ben met accepteren.]

Het is mijn broer die wel de juiste zoektermen intikt en uitkomt bij een kunstenaar die hem wel aanspreekt: Sonja Zuurman. Zij maakt ook beelden op verzoek. Als ik langs foto’s van haar werk scroll word ik ook blij.

Ik treuzel nog enige tijd voor ik een mailtje stuur.

Je beelden voelen liefdevol. Ik zou je willen vragen een beeld voor me te ontwerpen waar ik naar kan kijken als ik teveel verlang naar het oude normaal. Zodat ik weer weet dat ik een acceptatiebesluit genomen heb. En dat ik eigenlijk van geluk mag spreken. ..

Hoewel ik denk dat ik het onmogelijke vraag, ziet Sonja dat anders. We spreken elkaar eerst telefonisch en komen dan al gauw tot de conclusie dat het een vrouwenfiguur moet worden. Ik moet wel bedenken hoe ik het hebben wil. Zo vraagt ze of ik foto’s opstuur van de houding die het beeld moet hebben. Ik pijnig mijn hersenen. Welke houding geeft acceptatie zonder nederlaag weer? Ik poseer en Tammo fotografeert. Samen bepalen we welke het moet worden. De ene is te trots, de ander te bozig, en die waarop ik op één been sta te balanceren domweg te lollig. Maar dan hebben we hem gevonden: één been een beetje uitgedraaid, hand in de zij, andere hand richting hart, hoofd iets geheven.

Dan bedenkt Sonja dat het misschien een goed idee is als ik zelf een stukje aan mijn eigen beeld boetseer. Dat vind ik loeispannend. Iets doen wat ik niet kan met iemand die ik niet ken en met als onderwerp iets dat nogal gevoelig ligt. Maar eigenlijk wil ik het wel. Zo komt het dat ik op een herfstige dag tegenover Sonja zit die mij laat zien hoe je met draad een houding neerzet. En hoe je die houding daarna met was vult en tot leven brengt.

Het werd een bijzondere ochtend. Ik vond het ongelofelijk hoe snel de contouren van een beeld naar voren kwamen. Zo snel als de benen vorm kregen, zo snel spraken Sonja en ik over pijnlijke momenten in ons leven. Het leek of we elkaar al jaren kenden.

Na die ochtend ging Sonja ermee verder. Onder haar handen kwam dit beeld naar voren. Zo ziet acceptatie er uit. Het duurde even voor ik haar een naam kon geven. Maar eigenlijk is het eenvoudig. De godin die de acceptatie belichaamt is Hestia.

Nu is ze nog van was en staat ze wat onzeker op haar benen, maar als ze straks gegoten wordt in brons staat Hestia als een huis. En dan moet het toch goed komen met mijn accepteren.

Vorige Oudere items